Teltower Rübchen – herfstraap met een verhaal

Meiknollen, herfstrapen, het is de naam die aan de knolraap wordt gegeven. Een bijzondere is het Teltower Rübchen (Brassica rapa var. teltowiensis of Brassica rapa L. subsp. rapa f. teltowiensis), genoemd naar de plaats Teltow, dat zuidelijk tegen Berlijn aan ligt. Het is een Brandenburgse specialiteit. Ze is klein, onooglijk, maar zoet(er) en pittig van smaak. Ze worden in augustus gezaaid en een maand of twee daarna geoogst.

Oude rasnamen

Teltower Rübchen is een mooi voorbeeld van een groenteras dat het op een bepaalde plek goed deed. Vroeger was een ras meestal aan een plaats of streek gebonden. De echte zaadhandel en bijbehorende industriële selectie en veredeling, is iets van de twintigste eeuw.
Zo is er ‘roem van Zwijndrecht’ voor een selectie van knolselderij die het bij Zwijdrecht heel goed deed. ‘Amsterdamse bak’ is een wortel, ‘Soester knol’ is de in Soest wonende zus van Teltower Rübchen. En Aaltener troshaver is een selectie van haver die het in de omgeving van Aalten goed deed.
Boeren bewaarden elk jaar telkens weer het zaad van de gewassen die het beste gedijden – op hun akker, in die omgeving, in dat microklimaat. Zo ontstond over de jaren een lokaal ras.


Beschrijving

De knolrapen – niet te verwarren met de koolrapen – komen oorspronkelijk uit het gebied Afghanistan-Pakistan. Het werd in de dertiende eeuw veel geteeld in de Nederlanden – met name in het deel dat thans Vlaanderen heet – en is van daaruit door Saksische boeren meegebracht naar o.a Brandenburg. (Saksen is de naam voor een bundeling Germaanse stammen die in het Noord-Duitse laagland leefden.)

Het Teltower Rübchen heeft niets van die mooie ronde of afgeplatte witte knolrapen met paarsrode bovenkant (Italiaanse Roodkop), die we tegenwoordig in de winkel vinden. Of de gele Soesterknol. Teltower Rübchen is een grof, ietwat kegelvormig knolletje, dat meer heeft van een mislukte pastinaak of een peterseliewortel. Maar dan klein geoogst: zo’n 5 cm lang en tot 2-4 cm dik.


Kwestie van smaak

Johann Wolfgangvon Goethe – schilderij Joseph Karl Stieler, 1828

Er zijn boeken over dit knolletje geschreven. In de 18e en 19e eeuw gold het als een delicatesse. Het zou het lievelingsgerecht van Goethe zijn geweest. Naar verluidt stuurde zijn Berlijnse vriend Carl Friedrich Zelter regelmatig een portie naar Weimar, waar Johann Wolfgang woonde. En ook de filosoof Immanuel Kant rekende Teltower Rübchen tot de favoriete lekkernijen.

De smaak is verfijnd, een eigen-aardige mengeling van zoet en pittig. Het sucrosegehalte is 4-5 gr/100 gr. In andere rapen meest onder de 1 gram. Het gehalte voedingsvezel (vaste stof) is 15-20%, in andere rapen rond de 10%. En om het scherpe heeft het een hoog glucosinolaatgehalte, dat in de meeste pittig smakende kolen voorkomt. Maar dan heeft Teltower Rübchen een dubbel zo hoog gehalte, namelijk 800 mg/100 gram.

Armeluisvoer

Mannen verwijdereen het blad, de vrouwen sorteren de knolletjes – ongedateerde foto

Knollen waren in hoofdzaak armeluisvoer. Maar één knol wilde hogerop. In de zestiende, zeventiende eeuw zaaiden de boeren het Teltower Rübchen na de graanoogst. Zo zorgden ze voor extra eten om de winter door te komen. Even later werd het Rübchen door de adel ontdekt en het een delicatesse bevonden. Toen in 1711 op vier huizen na, heel Teltow verbrandde, begonnen veel inwoners daarna de knollen telen en verkochten deze in Berlijn. Dat was behoorlijk lucratief. Al snel werd het Teltower Rübchen ook in de omliggende dorpen, tot aan de poorten van de stad, geteeld. (Knollen voor citroenen verkopen, luidt de uitdrukking. Nu werden veel verschillende knollen werden als Teltower Rübchen verkocht. Dat leidde in 1740 tot ergernis en een ferme waarschuwing aan de stadse kopers, dat ze goed moesten opletten.)

Gekaramelliseerde Teltower Rübchen – foto: Rainer Zenz, Commons Wikipedia

Napoleon bracht het knolletje begin 19e eeuw, toen hij Pruisen innam (dat was 27 oktober 1806), mee naar Parijs; les Navets de Teltow. Maar een andere bron zegt dat het Charlotte van Orleans was, die het in 1721 al naar het Franse hof bracht.

Bij de opkomst van de industrialisatie ging de teelt achteruit. Liever in een fabriek werken dan voor een schamel loon op het veld. Zoiets moet het zijn geweest. Hobbytelers hielden het gelukkig in stand.  Omdat Teltow in het voormalig Oost-Duitsland ligt, raakte de knol nog eens extra in de vergetelheid: ze was niet interessant in de communistische landbouwplanning. Pas in 1998-1999 begon de knol aan een terugkeer.
Teltower Rübchen is in 1993 als merknaam gedeponeerd en in 1998 werd Förderverein Teltower Rübchen e.V. opgericht, een vereniging die zich inzet voor teelt en promotie van het unieke knolletje.


Teelt

Het is van oorsprong een na- c.q. herfstteeltgewas
Zaai begin augustus, oogst eind september, oktober of later. Hoewel het een brassica (kool)is – dat zijn in principe mestvreters – verlangt het Teltower Rübchen enigszins arme grond om de goede smaak te ontwikkelen.
In de rij 8-12 cm. Afstand tussen de rijen: 20-25 cm
Vroeg zaaien in maart-april kan ook, maar de herfstteelt levert de beste smaak, mits ze niet te dik worden geoogst.

Zaad

1 gram zaad = 370 zaden. Wij hebben zaad, maar niet in overvloed. We hebben het ooit in Duitsland besteld. Het was toen lastig te krijgen. Maar zie hier:
Samenhaus.de
Magic Garden Seeds

Let erop de echte te krijgen, dus die “lelijke korte peentjes”. Er worden veel knollen als Teltower Rübchen verkocht.


Bronnen

  • Das Teltower Rübchen, Günter Duwe, Teltower Stadt-Blatt Verlag, 2005
  • Dipl.-Gartenbaubetrieb A. Szilleweit kbA
  • Unsere märkische Heimat, Streifzüge durch Berlin und Brandenburg, Richard Nordhausen, 1929
  • Gartenzone


1 gedachte over “Teltower Rübchen – herfstraap met een verhaal”

Plaats een reactie