Oxalis tuberosa Mol. (synoniem/oudere naam O. crenata Jacq.)
Oca (Nederlands); knollige Sauerklee, Oka, Oca, Yam, peruanischer Sauerklee (Duits); oca (Engels); oca du Pérou, trufette acide (Frans); uqa (Quechua/Kichwa); oca, papa oca, ibia (Spaans); New Zealand yam (Engels – Nieuw-Zeeland);
Leestijd: 18 minuten
Inhoudsopgave
Naam
De naam oca komt van de taal van de inheemse bewoners van het gebied Peru, Ecuador, Bolivia, de Quechua of Kichwa geheten. Zijn noemen het uqa of oqa. Maar het heeft in Zuid-Amerika nog veel lokale namen, hetgeen aangeeft dat oca al heel lang wordt geteeld.
Oxalis is afgeleid van het Griekse oxys dat zuur betekent. We kennen het in de naam klaverzuring. Tuberosa komt rechtstreeks uit het Latijn. Tuber betekent opgezwollen, zwelling, knobbel, knol. De -osa is een achtervoegsel dat iets als ‘rijk aan’ betekent en is de vrouwelijke vorm. Mannelijk is -osum.
Plant
Oca (Oxalis tuberosa) is een kruidachtig knolgewas uit de familie van de klaverzuring (Oxalidaceae). Het geslacht Oxalis kent ruim 800 soorten waarvan de tuberosa de enige is die wordt gecultiveerd voor haar knollen. De plant houdt van een zeeklimaat, is bossig en wordt zo’n 30 cm hoog. De afwisselend geplaatste klaverbladeren zitten aan vrij dikke lange, kruidachtige stammen. Bladeren hebben vaak een ietwat violette kleur en een zachte beharing. De bloemen groeien solitair of in kleine bosjes. De kroonbladeren zijn vrijstaand en lichtgeel gekleurd. De vruchten zijn doosvruchten met meerdere kleine zaden. Het is een kortedagplant; als de dagen korter zijn dan de nachten, worden de knollen gevormd. Dat is dus vanaf eind september.
De ondergrondse knollen zijn betrekkelijk klein – de grootste is als een kleine aardappel (2,5 tot soms 15 cm lang, 2,5 cm doorsnee) – , zien er aantrekkelijk uit, hebben diverse kleuren (rood, wit, geel, oranje, roze, paars, meerkleurig), zijn onregelmatig geplooid, zijn smakelijk (zoetig, maar ook een gehalte aan oxaalzuur, waardoor het wat bitter kan zijn) en voedzaam. Gekookt zou je het een klein aardappeltje kunnen noemen.
Het is een kruisbestuiver. Dit gegeven plus de door de lokale boeren uitgevoerde selectie, heeft voor een grote verscheidenheid aan kleuren en vormen van de knollen gezorgd, net zoals het aantal en de diepte van de ogen in de knollen [15].
Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën oca: zoete oca (misk’i – een poos in de zon laten liggen) en zure oca (p’osqo – gebruikt voor jams).
In principe is het een overblijvende plant, als eenjarige, gelijk aardappels geteeld. Ze doorstaan lichte vorst. Oxalis tuberosa komt niet in het wild voor [2 EN], maar er zijn wel wilde oxalissen in de Andes die enige knolvorming vertonen. De soort is ontstaan binnen een clade die informeel bekendstaat als de „Oxalis tuberosa-alliantie”, een groep van enkele tientallen morfologisch vergelijkbare soorten die voorkomen in de centrale en noordelijke Andes [17]. Volgens [3] zijn Oxalis picchensis (synoniem O. petrophila, Zuid-Peru) en een niet nader geïdentificeerde Boliviaanse Oxalis de voorouders.
[17] komt tot de conclusie dat er twee groepen gecultiveerde oca’s zijn, mogelijk afkomstig zijn uit afzonderlijke domesticatieprocessen. Gebruik makend van de AFLP-techniek bleek een grote afwijking ten opzichte van O. tuberosa. “De resultaten van alle analysemethoden wezen erop dat de naamloze wilde, knolvormende Oxalis die in Bolivia is aangetroffen en O. chicligastensis in Noordwest-Argentinië de beste kandidaten zijn als voorouders van O. tuberosa.
Op de afbeelding hiervoor, uit [17], zien we gedomesticeerde en wilde Oxalis-soorten. De hier getoonde gekweekte oca-knollen (cultivars) vormden een bijzonder gevarieerde steekproef van knollen die door één familie waren geteeld. Op de onderste rij liggen knollen van wilde, knolvormende Oxalissen.
Historie
De oca is meer dan vierduizend jaar geleden gedomesticeerd; ze stamt van de hooglanden van de Andes. Inheems in Eduador, Peru, Bolivia en komt van Venezuela tot Argentinië voor. De plant groeit op 4000 meter hoogte. Het is basisvoedsel voor de Quechua/Kichwa, de inheemse bewoners van de Andes – het is het een na belangrijke basisvoedsel in Bolivia en Peru (na de aardappel) [3]. Juist omdat het tegen allerlei, ook arme, gronden kan, grote hoogtes en kil, koud klimaat.
Pre-historie – precolumbiaans
Hoewel archeobotanisch onderzoek gering is, laat staan de vondsten, vermoed men dat het oorsprongsgebied bij het Titicaca-meer ligt en domesticatie/cultivering pakweg 2000 v.Chr. begon [16].
Uit opgravingen, vrijwel overal in Ecuador, Peru en Bolivia, blijkt dat oca al in de oudheid werd geteeld. Zo bleek uit archeolologisch onderzoek van de grot van Guitarrro (Peru) dat de bewoners – we spreken dan van 10.000 tot 8.000 jaar geleden – actieve plantenverzamelaars waren. Men heeft vondsten gedaan die wijzen op een intensieve consumptie van knollen en wortelstokken, zoals oca en mogelijk ook olluco (Ullucus tuberosus), en van peulvruchten, zoals de bonen (Phaseolus vulgaris) en de limaboon (Phaseolus lunatus). Daarnaast omvatte het plantaardige dieet fruit en andere, minder belangrijke soorten [6].
Vanaf de dertiende eeuw leefde het Inca volk in het westen van de Andes tot aan de kust in het gebied van Ecuador tot en met Chili. Totdat de Spaanse conquistadores, in dit geval Pizarro in 1532, het gebied veroverden (wat tot 1572 duurde). In de Inca-mythologie speelt de godin Pacha Mama (Moeder Aarde) een belangrijke rol. Zij was de bron van het leven, de bron van voedsel was voor mensen en dieren. Pachamama is de beschermster van vruchtbaarheid en voortplanting, met name van de bevalling. Zij had vele dochters in de vorm van beschermsters van specifieke voedselgewassen; bijvoorbeeld mama-zara, mama-coca, mama-quinoa en mama-oca. Deze hadden elk het vermogen hebben om een overvloed aan maïs, coca, quinoa en oca (Oxalis tuberosa) voort te brengen [7].
Omdat de wilde voorouders van oca eerst door verzamelaars werden gegeten en daarna in cultuur is gebracht, is het verspreidingsgebied van oca gelijk aan het rijk van de Inca’s – maar geen enkel gewas trekt zich iets aan van natiegrenzen. Dus het trok door Midden-Amerika tot in Mexico.
Inca’s en Peru
Piedro Cieza de León was de eerste (Europeaan) die de Inca-cultuur bestudeerde en er over schreef in zijn Crónicas del Perú (1532). In het eerste deel hoofdstuk XCIX gaat het over de regio Collao en de mensen daar, die Collas worden genoemd. Hij beschrijft het landschap en de koude – te koud om mais te telen. Ze telen aardappelen en drogen deze in de zon, waarna ze chuñus worden genoemd. “En ze hebben nog een gewas, oca, die weliswaar een rijke opbrengst heeft, maar niet zo veel als quinoa.” In het tweede deel, hoofdstuk XXX, behandelt het oogstfeest Hatun Raymi (“zeer plechtig feest”), eind augustus, als mais, aardappelen en oca worden binnengehaald en de goden (onder andere zon en maan) worden bedankt.
In 1590 verschijnt in Sevilla Historia natural y moral de las Indias van de hand van de Jezuïet José de Acosta. Hierin wordt een paar maal de oca als voedingsmiddel genoemd. Niet spectaculair, maar wel 1590.
Nueva corónica y buen gobierno (Nieuwe Kroniek en Goed Bestuur) is een, waarschijnlijk tussen 1600 en 1615, door Felipe Guamán Poma de Ayala geschreven en geïllustreerd manuscript van bijna 1200 pagina’s. Het is een bijzonder, rijk en diepgaand verslag van het vroege kolonialisme, gezien door een ‘volbloed’ inheemse bewoner. Guaman Poma stond de koloniale autoriteiten bij in diverse activiteiten, met name als transcultureel bemiddelaar en als assistent van de inspecteurs die de toestand van de Kerk en de kolonie in kaart brachten. In 1600 verloor hij de zeggenschap over voorouderlijke gronden en werd veroordeeld tot openbare geseling en verbanning. Guaman Poma breidde vervolgens zijn strijd voor rechten – zowel persoonlijk als collectief – uit, waarbij hij de onrechtvaardigheid en excessen van het regime aan de kaak stelde. En dat leidde tot dit manuscript, dat geschreven is als een beroep op de koning van Spanje. Het behandelt alle facetten van het dagelijks leven in bezet Peru. Ook de landbouwkalender.
Oca’s werden gevriesdroogd en dienden in de winter als voedsel.
In het rapport [5] over landbouw in Vitcos, in de regio Vilcabamba in Peru (het laatste Inca-bolwerk 1537-1572 tegen de Spaanse bezetters) is sprake van oca. In de tabellen in dit rapport zijn de cijfers opeen geveegd met die van de aardappel.
In 1609 verscheen van de hand van Inca Garcilaso de la Vega het werk Comentarios Reales de los Incas. (Garcilaso was zoon van een Spanjaard en een Inca-vrouw van goede stand.) Hij beschrijft in boek 5 hoofdstuk I de manier van landbouw. Daarin gaat het onder andere over het drieledige terrassensysteem (andenes): één voor Inti (de zon), één voor de Inca (sapa inca – de koning, zoon van de zonnegod) en één voor zijn onderdanen. Mais werd geïrrigeerd, op de andere terrassen werden planten verbouwd die met weinig water toe konden: papa (aardappel), oca en añu (mashua/knolcapucien). In boek 8 hoofdstuk X gaat het over groenten die in de grond groeien: aardappel. “Er is een andere, genaamd oca, die erg smakelijk is: het is zo lang en dik als een vinger en wordt rauw gegeten, omdat het zoet is, of in stoofpotten gekookt. Het wordt in de zon gelegd om het houdbaar te maken, zonder honing of suiker, want het bevat zelf al veel zoetheid. En dan heet het cavi.”
Oca werd halverwege tot eind 1700 naar de centrale hooglanden van Mexico gebracht [15] en werd daar, buiten de Andes, op grote schaal geteeld. En zo is dat vandaag de dag nog steeds: onder de namen papa roja (rode aardappel), papa de agua (waterige aardappel) of papa ratona (muizenaardappel).

Duitsland
Omdat het op de aardappel lijkt, zou het in de 19e eeuw (1830) in Europa zijn geïntroduceerd [2 EN DE]. 1850 in Frankrijk [2 FR], maar volgens [13] al in 1830, direct nadat het in Duitsland was gearriveerd. Want:
Joseph Gerhard Zuccarini beschrijft in het hoofdstuk Nachtrag zu der Monographie der amerikanischen Oxalis-Arten in [4], dat hij in 1825 voor het eerst gedroogde knollen van Oxalis crassicaulis Zuccar ontving, “die Haenke in Peru gesammelt hatte” maar hij kon er niets mee. [Dat moet dus uit de nalatenschap van Haenke zijn geweest, MergenMetz]
Vier jaar later kreeg hij uit Mexico, van Baron von Karwinski, knollen met de tekst ‘Oxalis, wird in Mexiko statt Kartoffeln gegessen.’ Zuccarini schrijft dat de knollen zijn te vergelijken met de beste aardappelen, en dat het groen uitwisselbaar is met zuring. En dat het ook voor de winning van Kleesalz (kalium uit klaverzuring) kan worden gebruikt.
Frankrijk
In de periode hierna begonnen in Frankrijk en Duitsland experimenten met de teelt. In Le Bon Jardinier van 1844 staat dat de knollen misschien hooguit de grootte hebben van een kippenei, maar dat het aantal groot is. Het werd in het dorp annex landgoed Trébodénic (Ploudaniel, Finistère, Bretange) grootschalig geteeld.
Tussen 1845 en 1849 heerste in Europa de aardappelziekte, die vooral in Ierland tot hongersnood leidde. Dat was de aanleiding om naar alternatieven te kijken. Waaronder oca. Maar dat bood geen soelaas omdat de teelt lang duurde.
In [12] staat een hoofdstuk ‘Remarques sur quelques tubercules comestibles’ – notities bij enkele eetbare knollen. De auteur is Hugh Algernon Weddell en hij schrijft over oca dat ze bijna net zo lekker is als de aardappel. Hij beschrijft de plant en de bereidingswijzen, ook het drogen in de zon.
Van 1835 tot pakweg 1850 werd er in Frankrijk betrekkelijk veel aandacht aan de Oxalide crénelée (Oxalis crenata), de oca, besteed. Daarna werd het vrij stil [11]. Maar in het in 1856 verschenen Potager d’un Curieux [13] komen eigen ervaringen van de auteurs (goede opbrengst, teelt in Les Landes), als ook de waarnemingen van de eerste kwekers van de oca aan de orde. Een opmerkelijk citaat uit het boek (1:1 vertaald):

“Het is waar dat men in 1835 had vernomen dat een bekwame Engelse tuinman, genaamd Pringle, een teeltmethode had ontdekt waarmee men Oxalis in augustus kon oogsten, en Poileau, de vooraanstaande tuinman, botanicus en schilder, die zijn jaloezie als Franse tuinbouwer niet onder stoelen of banken stak, riep uit: „Wat mij betreft, ik zal geen oog meer dichtdoen voordat ik het geheim van de heer Pringle heb ontdekt of op zijn minst een resultaat heb bereikt dat vergelijkbaar is met het zijne.”
Wat is er geworden van de ontdekking van tuinman Pringle? Accepteren de Engelsen de zuurheid van de Oxalis? De zon van Engeland, die zo’n goede reputatie heeft, kan die zuurheid zeker niet doen verdwijnen.”
Verder lezen we dat er elk jaar oca-knollen te vinden zijn bij handelaren in exotische producten en enkele grote kruideniers. Het is de variant met een fel karmozijnrode schil, die Boursier, de Franse consul van 1850 tot 1856 in Quito, in 1850 naar het Muséum National d’Histore Naturelle stuurde en die, naar zijn zeggen, in Peru als van superieure kwaliteit werd beschouwd. In Les Plantes Potagères (1883) van Vilmorin-Andrieux is de oca ook opgenomen. Er staat onder andere dat de gele en de rode zijn geïntroduceerd en dat de witte ‘blanc pur’ een spontane nazaat is van de gele. Maar ze is, voor wat betreft de culinaire eigenschappen, inferieur aan de gele en de rode. Aldus Vilmorin.
Aan het einde van de 20e eeuw was de teelt in Frankrijk in onbruik geraakt.
Engeland
De tuinman Pringle lijkt onvindbaar. In 1839 publiceert John Forbes Royle zijn werk Illustrations of the Botany and Other Branches of the Natural History of the Himalayan Mountains. Hierin maakt hij in het hoofdstuk 45 Oxiladeae gewag van O. tuberosa en O. crenata, welke “has been introduced into England as a substitute for that invaluable root; it might be so into India, and be useful wherever the soil and climate are better suited to it than to the potatoe.”.
Nederland
Doordat het een kortedagplant – knolvorming zou vanaf november plaatsvinden – is en omdat de nachtvorsten eerder dan nu (2026) te vrezen waren, is de oca-teelt, in tegenstelling tot Frankrijk, nooit van de grond gekomen. Doch als gevolg van de Vergeten Groenten-beweging zijn veel groentes – ook al waren ze nooit gangbaar in de Lage Landen – onder de aandacht gekomen. Begin 21ste eeuw wordt er in Nederland oca geteeld dat via de speciale groothandel bestemd zijn voor de horeca.
Nieuw-Zeeland
In Nieuw-Zeeland, waar de soort vanaf 1860 werd geteeld [15], is hij van belang als zetmeelbron en komt hij relatief veel voor. Hij wordt daar ‘yam’ (New Zealand yam) genoemd, maar mag niet worden verward met yam/yamswortel.
Culinair
In Zuid-Amerika wordt oca door de inheemse bewoners eerst in de zon gedroogd om het zoeter te maken en vervolgens voorgekookt, geroosterd of bereid als pachamanca (vlees dat in een kuil in de grond wordt geroosterd). De gedroogde, ingevroren knol wordt khaya genoemd. Als deze na het invriezen wordt gewassen, ontstaat een witter product, okhaya genaamd, dat als van superieure kwaliteit wordt beschouwd. Het meel daarvan wordt gebruikt voor het maken van pap en desserts [15].
In de Lage Landen kunnen we wat ook proberen, maar doorgaans worden de knollen , gelijk aardappels, gekookt, maar ook gebakken (bijvoorbeeld op een bakplaat met andere groenten) of gefrituurd. Ze kunnen ook zoetzuur worden ingelegd of rauw met suiker gegeten. De bladeren en de jonge stengels kunnen worden gekookt of rauw aan salades worden toegevoegd. Dikke stengels worden soms bereid als rabarber.




Bewaren
Het loof sterft in de herfst af. Je kunt de knollen in de grond laten zitten, je kunt ze beter oogsten en koel bewaren, bijvoorbeeld in een emmer/bak met vrij droge compost of potgrond. Bij 21°C zijn de knollen 12 weken houdbaar. Gekoeld, rond de 4°C zo’n 20 weken.
Voedingswaarde
100 gram oca (rauw):
| calorieën | 53-67 kcal [3] |
| water | 74,22 gr [3] 84,1 [2] |
| eiwitten (proteïne) | 1,59 gr [3] |
| vet (lipiden) | 0,15 gr [3] |
| koolhydraten | 11,32 gr [3] 13,3 [2] |
| voedingsvezel | 1 gr [2] |
| suikers | |
| disachariden | die, als ze er zijn, vormen een onderdeel van de koolhydraten |
| mineralen | natrium __ mg; kalium __ mg; calcium 5,02 mg [3]; magnesium __ mg; fosfor 39,01 mg [3]; ijzer 0,924 mg [3]; koper __ µg; zink __ µg, mangaan __ µg; selenium __ µg |
| Vitaminen: | |
| Retinol (A) | 1 µg [2] |
| thiamine (B1) | 71 µg [3] |
| riboflavine (B2) | 130 µg [2] |
| niacine (B3) | 422 µg [3] |
| pantotheenzuur (B5) | __ µg |
| vitamine B6 | __ µg |
| folaten (totaal – B11/ B9) | __ µg |
| cobolamines (B12) | __ µg |
| ascorbinezuur (C) | 38,42 – 187,19 mg [3] |
| vitamine D | __ µg |
| vitamine E (alfa-tocopherol) | __ µg |
| Vitamine K (phylloquinone) | __ µg |
| Aminozuren | o.a. __ mg arginine; __ mg histidine; 36-46 mg isoleucine [3]; 53-60 mg leucine [3]; 57-59 mg lysine [3]; 35-38 mg methionine [3]; __ mg fenylalaline; 45-47 mg threonine [3]; 5,5-8,5 mg tryptofaan; 57-68 mg tyrosine [3]; 26-48 mg valine [3]; __ mg alanine, __ mg asparaginezuur, 35-38 mg cystine [3], __ mg glycine, __ mg proline, __ mg serine |
| Lipiden: | |
| Verzadigde vetten | __ µg |
| Enkelvoudig onverzadigd | |
| Meervoudig onverzadigd | |
| Cholesterol | __ µg |
Nul is ook een waarde. Wat onbekend is, is niet ingevuld
Gezondheid
De gezondheidswaarde is heel hoog, gezien het gehalte aan antioxidanten, kankerwerende en ontstekingsremmende eigenschappen. Maar de mate waarin, is onder meer afhankelijk van de kleur van de oca. Aan de andere kant kent oca een vrij hoog gehalte aan oplosbare oxalaten, die vooral in de schil geconcentreerd zijn, hetgeen tot nierstenen kan leiden. Maar voedselveiligheidsinstituten, zoals EFSA, hebben geen veiligheidsnormen voor oxalaten en tannines vastgesteld.[3]
Teelt
Het is niet moeilijk maar er is enig risico omdat de plant gevoelig is voor matig tot strenge vorst (kouder dan -5oC), terwijl de knolvorming na de herfstequinox (23 september) begint. Oca geniet van een klimaat met gemiddelde temperaturen van 10 tot 12°C – variërend tussen 4 en 17 °C en een gemiddelde neerslag van 700 tot 885 millimeter per jaar [2 EN]. Oca houdt van een koel zeeklimaat, volle zon maar niet warmer dan 30oC [11]
Reken op een opbrengst van 450 gram per plant, maar sommige rassen kunnen het dubbele geven [11]. Uit eigen ervaring kunnen we zeggen dat oca’s makkelijker zijn dan mashua (knolkapucien). En die zijn niet moeilijk 🙂
| Zaaien | Oppotten (5 – 7 cm diep) eind maart, begin april. Trek ze voor in de koude bak. |
| Uitplanten | In principe na de IJsheiligen (11 t/ 13 mei), maar ze kunnen lichte vorst verdragen. |
| Oogst | Eind november, december |




Plantafstand
30 cm uit elkaar. Wij planten ze in “driehoekjes” met zijden van 30 cm, of, anders gezegd: verschoven in de rij
Water
Geen bijzondere eisen, in droge perioden normaal water geven
Bemesting
Niet bijzonder, compost is altijd goed. Wij bemesten licht.
Bodem & standplaats
Accepteert arme grond, doorgaans op percelen met een matige bodemkwaliteit, en verdraagt een zuurgraad tussen ongeveer pH 5,3 en 7,8.
Niet voortdurende volle zon, maar wat lichte schaduw is aan te bevelen.
Goede vrienden
Combinatieteelt met ui en knoflook (om en om) werkt goed. Ui en knof worden immers geoogst voordat oca knol gaat vormen. En verder: suikermaïs (biedt lichte schaduw), bonen (stikstofbinders), erwten (idem), kolen (bieden lichte schaduw, weinig concurrentie), peterselie, bieslook (houd bepaalde insecten weg)
Slechte vrienden
Aardappels (in alle opzichte directe concurrent), Cucurbita (pompoenen, courgettes e.d.)
Rassen

Er zijn geen officiële rassen, dus nergens ligt vast aan welke morfologische (vorm, structuur) en olfactorische (geur, smaak, mondbeleving) kenmerken een oca moet voldoen om een rasnaam te krijgen. Kortweg gezegd: iedereen doet maar wat. Zo telen wij ‘oca rood’ en ‘oca wit’.
Op de foto wordt deze oca in Nederland verkocht als Oca de Perou Multicolor. Voor € 15,95/kg excl BTW, op 21 april 2023.
Prince de Bretagne is Bretonse coöperatie, dus Frans.
Zaadteelt
Vegetatieve vermeerdering (dus door knolletjes te planten) is gangbaar. Oca is zelfsteriel, is een kruisbestuiver en je zou dus zaad kunnen winnen. Maar daar zouden wij niet op inzetten, gezien de groeiperiode van oca.
Ziekten en belagers
In de Lage Landen amper of niet; misschien nematoden, maar plant er dan tagetes (Afrikaantjes) tussen. In de Andes heersen virussen die invloed hebben op de opbrengst en er is daar een aantal soorten kevers die het op oca hebben voorzien.
Literatuur: [1] Putting the culture back into horticulture: breeding for biodiversity and sustainability with the help of the public. The case of Oxalis tuberosa, Paola Andreoni, juni 2015; [2] Wikipedia NL, EN, DE; [3] Oca (Oxalis tuberosa Mol.): An Andean Tuber With Promising Physicochemical, Technological and Nutritional Properties for Potential Industrial Applications, Edward Florencio Aurora-Vigom c.s., Plant Foods for Human Nutrition, oktober 2025; [4] Der Mathematisch-Physikalischen Classe der Köninglich Bayerischen Akademie der Wissenschaften, erster Band, 1832; [5] Reconstructing Agriculture in Vitcos Inca Settlement, Enrique Meseth c.s., Irrigantion and Drainage, April 2015; [6] Ecnomia Prehispanica, Carlos Contreras, Instituto de Estudios Peruanos, 2010; [7] Handbook of Inca Mythology, Paul R. Steele, 2004; [8]; [9] Dynamic Display, Propaganda, and the Reinforcement of Provincial Power in the Inca Empire, Dennis Ogburn, University of California, Berkeley, Archaeological Papers of the American Anthropological Association, juni 2008; [10] Sturtevant’s Edible Plants of the World; [11] Website cultivariable.com, september 2026; [11] Revue horticole ser.4 v.1 (1852); [12] Histoire des Légumes, Georges Gibalut, 1912; [13] Le Potager d’un Curieux, A. Paillieux & D. Bois, 1885; [14] Fruit and Vegetables, Handling and Storing, A.K. Thompson, Blackwell Publishing, 2003; [15] Neglected crops, 1492 from a different perspective, FAO Plant Production and Protection, Series No.26, 1994; [16] Plants and People, Choices and Diversity through Time, Oxbow Books, 2014; [17] Origens of Demestication and polyploiy in Oca, Eve Emshwiller, American Journal of Botany, 2009;
Opmerkelijk. Alphonse De Candolle schreef een fraai werk (Origine des plantes cultivées / Origin of Culivated Plants), waar door diverse bronnen aan wordt gerefereerd. Als je op het internet zoekt, lijkt het of De Candolle de oca, Oxalis tuberosa, heeft vermeld. Niets is minder waar. Wij konden het niet in zijn boek vinden. De Candolle is oca vergeten, zoals Asa Gray en J. Hammond Trumbull in 1883 al opmerkten in hun Review of DeCandolle’s Origin of Cultivated Plants; with Annotations upon certain American Species. (American Journal of Science, 3e serie. Deel 1. 25: 241-255)






