Veldgids Dierensporen Europa

Wie oplet, ziet ze. Overal. In de steden, de tuinen en natuurlijk vooral in de natuur. Sporen van dieren. Maar wat is het? Deze prachtige gids biedt uitkomst: pootafdruk tot drol, van afgekloven dennenappels tot tot hoopjes aarde en meer.

Sporen zijn verschijnselen die wijzen op ‘wat anders dan normaal’. In dit geval zijn het sporen van dieren, hoewel de mens ook een dier is, dat behoort tot de primaten. En de mens laat op haar beurt wel heel veel sporen na. Je hebt waarneembare sporen en niet – of beter: voor mensen niet waarneembare sporen. Want het is niet alleen de hond die vlaggen uitzet.

Het boek is niet een eenvoudige determineergids, zoals bij planten of een vogelgids. Daarvoor zijn er te veel totaal verschillende sporen; een pootafdruk of een afgeworpen huid van een slang zijn wel heel verschillende dingen. De gids is daarom ingedeeld in soorten sporen, waaronder prooiresten, braakballen, holen, voedselvoorraden.

Per spoorsoort – die met een kleur is aangegeven – begint het met een zoekpagina. Dat is een index die verwijst naar een pagina waar je meer informatie vindt. Dat werkt makkelijk. Er zijn heel veel foto’s opgenomen die het herkennen vergemakkelijken.

De inleidende hoofdstukken helpen de speurder op weg. Een tip die we lezen is omdat dit vooral ’s ochtends te doen, als de dauw er nog is. Dan zijn de sporen van kleine dieren nog goed zichtbaar. En wanneer ga je spoorzoeken? Niet tijdens de regen, die spoelt alles weg. Maar vlak erna, als de grond zacht is, is wel een mooi moment. Van die dingen. Het is een gids die Europa omvat, d.w.z. geen Rusland, Wit-Rusland of Oekraïne. Maar de rest wel. Er zijn dieren die je in de Lage Landen niet tegenkomt, maar dit betreft maar een klein deel van de gids – sommige slangen, sommige muizen die hier niet voorkomen. De wolf nu wel, de beer nog niet. De bever weer wel. Van die dingen.

Wij leven in de rand van de natuur. Onze tuin gaat naadloos over in het bos van de Wolfhezer Heide en Bossen van Natuurmonumenten. We zien dagelijks sporen. Maar we herkenden nauwelijks iets. Je bent gewaarschuwd: Deze gids werkt verslavend. Het bladert heerlijk door en daardoor ga je weer meer zien tijdens wandelingen. Waardoor je weer de gids opslaat. Kortom, als je een beetje natuurliefhebber bent, hoor je deze gids te hebben. Op de keukentafel!

TitelVeldgids Dierensporen in Europa
VanAnnemarie van Diepenbeek
UitgeverKNNV Uitgeverij
ISBN978 90 501 170 67
Verschenennajaar 2019
Prijs€ 37,95
Verkrijgbaar bijKies voor de boekhandel van steen en cement. En àls je een webshop prefereert, kies dan deze. Dan heeft deze mooie uitgeverij er ook nog wat aan.

Monnikenwerk

We willen hier meteen onze grote waardering uitspreken voor het monnikenwerk van de auteur. Zo veel verschillende dieren, zo veel verschillende sporen, zo veel ordening en vooral zo veel foto’s. We zijn diep onder de indruk van dit boek. Een veldgids van bijna 350 bladzijden.

Een zogenaamde reepiste. Het pad is pakweg 50 cm breed, de doorsnee zes meter. We komen het wel eens tegen.

Dierensporen kunnen zijn:

Loopsporen

De afdruk van de poten: de print. Je vindt ze op wildwissels. Maar sporen kunnen ook platgetreden paden zijn. Een wild zwijn door een korenveld, ziet er anders uit dan een hert of ree.
Of wat te denken van de opgang van een bever?

Vraat- en piksporen

Neem de kaalgevreten dennenappels. Maar een muis eet anders dan een eekhoorn. Ken je het verschil? Tijdens een van onze wandelingen wees mrs. M op een drol. “Vossendrol!” zei ze. Er leek fruit in te zitten. Eten vossen rozenbottels? Vermoedelijk wel, want bij Uitwerpselen staan op pagina 216 enkele vossendrolfoto’s.
En wist je dat wilde zwijnen proppen van jonge graanstengels uitspugen? Als je de afbeelding in het boek hebt gezien, zie je ongetwijfeld tijdens je eerste tocht ergens op de Veluwe allemaal proppen liggen. En wie knikt die korenaren?
De door de bever gevelde boom kennen we allemaal wel. Maar de schorsvraat door een rosse woelmuis is weer iets heel anders.

Prooiresten

De tabel op pagina 153-154 maakt duidelijk dat niet alles ‘de wolf’ is. In onze contreien komt de bruine beer niet voor. De lynx is verdwenen omdat we de habitat hebben verpest – zeg maar gerust dat dit het gevolg is van het beleid dat door Henk Bleeker is gevoerd. Voor de lynx is onvoldoende bos verbonden. Maar deze kat is nog wel in de Eiffel te vinden.
Een adder zonder kop wijst op het werk van een bunzing. Of een egel!
En als je ergens een verzameling vlindervleugels vindt, dan weet je dat dit het werk is van vleermuizen.
Er is overigens heel veel variatie te vinden in de restanten van schelpen en slakkenhuisjes.

Wroetsporen

De sporen van de mol kennen we ook allemaal. Wilde zwijnen wroeten de aarde rijkelijk om, meestal goed te zien langs de rand van een pad of weg. Maar dassen woelen ook! Bij ons komen geen wilde zwijnen voor, maar wel dassen. En we zien wel eens in het deel bos van onze tuin, wroetsporen die te klein zijn voor een zwijn, maar nu weten we dat het een das kan zijn.
Opmerkelijk is het gat dat een groene specht in een mierenhoop kan maken. Dat hebben we nooit geweten.

Voedselvoorraden

Het is de cache van de dieren. Wie aan geocaching doet, weet waar we het over hebben. Mollen sparen wormen, muizen sparen eikels en beukennootjes. Eksters spiesen hagedissen en muizen aan doorns of hekwerken, om ze later te nuttigen.

Uitwerpselen

Lang geleden kochten we het boekje ‘What bird did that?’ Een lollig boek. De auto niet uitkomen en door vogelpoep op de voorruit de vogel identificeren. Maar wel Amerikaans, dus veel hadden we er niet aan. De uitwerpselen die in deze veldgids worden besproken variëren van de konijnenkeutels tot die van, wat zullen we zeggen, een wisent.
“Vleeseters hebben meestal cilindervormige (buisvormige) en vrij zachte uitwerpselen. Met het afknijpen door de sluitspier ontstaat er vaak een puntig uiteinde, met name als het uitwerpsel vooral uit haren bestaat.”

Op pagina 199 staat een afbeelding met acht verschillende groepen keutels. Allemaal verschillende vleermuizen.

Uiteraard wordt de vogelpoep niet overgeslagen. Nu staat er niet van elke vogel wat bij, maar kennelijk kan een vogelpoep en dat van een reptiel goed worden verwisseld. De foto hierboven is van 9 februari 2020 – ook al is het een warme winter, we mogen aannemen dat de reptielen nog in winterslaap zijn.

Braakballen

Volgens mij heeft iedereen wel eens op de basisschool of de middelbare school wel eens een braakbal van een uil mogen bekijken en misschien zelfs uit elkaar pluizen. Uit de gids maken we op dat niet alleen elke uil wel een eigen bal maakt, maar dat ook ooievaars, buizerds, valken, zeearenden en andere roofvogels braken. Dat is niet onlogisch. En ja, zelfs de ijsvogel.

Geleiachtige hopen of klonten

Het is maar een kort hoofdstukje, met name de otter en de bever produceren slijm – het ziet er niet smakelijk uit en het heet dan ook ottergeil of bevergeil. Aalscholvers produceren een vormeloze gelei die het meest van een dikke klodder behanglijm heeft. Boeiend maar het ziet er nog minder smakelijk uit dan een drol. Snel naar een ander spoor.

Afgeworpen onderdelen

Huiden, veren, geweien, haren, een dier kan wat afwerpen. Op de Wolfhezer Heide en Bossen komen alle reptielen van Nederland voor – op een hagedis, die in de mergelgrotten bij Maastricht leeft, na. We zien dus wel eens een adder en de ringslang voelt zich thuis nabij onze vijver. En we zien (dus) ook wel eens de vellen liggen. Maar we treffen ook haren en veel veren aan. Geen geweien, in dit natuurgebied hebben we alleen reeën.

Nesten, holen, legers en andere woningen

Het leek erop dat de ooievaar uit Nederland zou verdwijnen, nu is ze weer volop aanwezig. Dus weten we wel zo’n beetje hoe het nest er uitziet. Spechtenholen zijn ook bekend. En als je bovenin een boom een nogal groot hoop bladeren en andere troep ziet, is de kans groot dat dit een eekhoorn is. Alleen Knabbel en Babbel leven in een boom.
Persoonlijk hebben we er een grote hekel aan als muizen in onze werkkelder een nest hebben gebouwd in oude lappen – bedoeld om te gebruiken bij het schilderen.
Mollen hoeven we niet toe te lichten, maar ook de woelrat en molmuis (komt niet veel voor) maken hopen. Maar wie heeft dit minigaatje gegraven? Kleiner dan de wijsvinger van een volwassene.

Baden en schuren

Varkens houden van modderbaden. In de zomer, want de dieren zweten niet en zo koelt het lichaam af. Zoelen is met de snuit door de modder gaan, dat doen wilde zwijnen ook. De hond wil graag door het hoge gras rollen. De kippen maken in de ren in het droge zand een kuil. Voor een zandbad, tegen lastige beestjes. Dat doet de fazant in het wild ook.

Als ze jeuk hebben, schuren varkens lekker tegen een boom. Bij ons kunnen ze dat omdat ze in het bos lopen. Net als de wilde zwijnen (die komen niet bij ons voor, anders hadden we een ander probleem). Herten en reeën schuren ook met liefde. En de das zet met liefde zijn nagels in de bast van een boom. De huiskat heeft misschien een krabplank, de das een krabboom. We hebben er nooit eerder op gelet. Nu wel!

De gids eindigt met tips om sporen te conserveren, een literatuurlijst en websites, een verklarende woordenlijst en lijsten met namen: wetenschappelijk – nederlands.

De index is apart. Ze vermeld de dierennamen en bij welke soorten sporen ze voorkomen. Zo is simpel vast te stellen dat de ekster veel verschillende sporen achterlaat. En dat geldt ook de steenmarter. En enkele andere dieren.
Het is een uitgebreide recensie, maar dat verdient een boek als dit.

(c) Foto’s MergenMetz en uit het boek

Plaats een reactie

Verschijnt een à twee keer per maand. Met een breed scala aan onderwerpen uit het groenere leven en lekkere recepten.

Kijk in ‘spam’ of ‘reclame’ wanneer u niet binnen een paar minuten een e-mail ontvangt.