Paardenbloemen zijn zo gewoon, dat we niet weten hoe bijzonder ze zijn. Het is sinds de prehistorie voedsel en heilzaam middel voor de mens. Dit boek gaat over de paardenbloem zelf en dan blijkt het een heel bijzondere plant te zijn. Deze veldgids maakt dat je heel anders gaat kijken naar de paardenbloemen in je omgeving. En dat heeft iets verslavends.
Het boek verscheen eind april 2025. We hebben het laten liggen tot nu, want nu begint het nieuwe paardenbloemenseizoen. Dus koop het boek ook nu.


Op 5 juni 2017 publiceerden we onze plantbeschrijving van de groente Paardenbloem. Aan het einde hadden we toen een link opgenomen naar Herbarium Frisicum. We schreven: “[Daar] zijn ze fanatiek bezig alle paardenbloemen in kaart te brengen.” En wat blijkt nu? Dit boek is samengesteld door twee nauw bij Herbarium Frisicum betrokken botanici. Karst Meijer beheert het Herbarium Frisicum, het grootste particuliere herbarium van Nederland en Erik van den Ham zit in het bestuur van de gelijknamige stichting.
We weten even niet hoe we deze recensie moeten aanvliegen. Enerzijds is het stevige kost, dat mooi en heel helder wordt uitgelegd. En daardoor weer lichte kost is. Anderzijds merk je dat het met passie is geschreven. En wel met een aanstekelijke dosis passie, zodanig dat je de neiging krijgt paardenbloemverzamelaar te worden.
Hoe komt dat? Welnu, de auteurs schrijven lekker. Het gaat er bij wijze van spreken in als een lepel paardenbloemgelei. De crux is echter, dat verreweg de meeste paardenbloemen zich aseksueel voortplanten. Dus een bloem maakt onbevrucht zaden en die zaden verspreiden zich met de wind. De planten die daaruit voortkomen, zijn genetisch identiek aan de moeder/vader. Het zijn klonen. Nu is dat niet zo zwart wit: er zijn ook seksuele paardenbloemen en het stuifmeel van de aseksuele is niet altijd onvruchtbaar. Dus er ontstaan hier en daar nieuwe paardenbloemen die zich weer voortklonen.
Het aparte is dat de seksuele paardenbloemen ernstig in de minderheid zijn en niet erg noordelijk in Europa voorkomen. Zwolle is het meest noordelijke, en dan geven ze nog voorkeur aan rivieroevers. De aseksuele daarentegen komen overal, tot in Scandinavië voor. Dus dat veld met paardenbloemen bij jou om de hoek, moet je maar eens goed onderzoeken. De kans is groot dat je veel identieke planten vindt. Klonen. En misschien gemengd met planten van één of twee andere kloonlijnen.
Dit boek maakt het geheime leven van de paardenbloem op aangename wijze en bovendien fraai en rijk geïllustreerd duidelijk. Het bevat ook uitleg over het determineren en het aanleggen van je eigen herbarium, zo je dat wilt. Tenslotte worden veel soorten beschreven. Er gaat een wereld voor je open.
| Titel | Veldgids Paardenbloemen – taxonomie * Herkenning * Ecologie |
| Auteur | Karst Meijer en Erik van den Ham |
| Uitgever | Noordboek Natuur |
| ISBN | 978 94 6471 0274 |
| Verschenen | 28 april 2025 |
| Prijs | € 34,90 |
| Verkrijgbaar bij | Koop het bij een boekhandel van steen en cement. Maar als je online wenst te winkelen, raden we deze webwinkel aan. |
Apomixis
Paardenbloemen zijn misschien wel de meest normale en tegelijkertijd meest intrigerende wilde planten. Paardenbloemen zijn aseksueel klonaal. Ze klonen zichzelf, er ontstaan zaden zonder uitwisseling van genen, dus zonder ‘seks’. Apomixis heet deze vorm van voortplanting. Dus een veld paardenbloemen zijn eigenlijk allemaal gelijk en soms net even anders. In botanische termen: veel dezelfde en soms ook verschillende genotypes. Maar een moederplant heeft identieke kinderen, die ook gelijk zijn aan de moeder. Maar een veld paardenbloemen is niet exclusief bezit van één klonenlijn. Het kan, het is niet uitgesloten.

Er is een enorme variatie aan paardenbloemen; want niet alle paardenbloemen zijn akseksueel. Aseksuele paardenbloemen komen overal voor, seksuele niet: hun verspreidingsgebied, zo lezen we, wordt bepaald door de laatste ijstijd. Nederland, en dan met name langs de rivieroevers, is de meest noordelijke ligging van de seksuele paardenbloemen (rode stippen). Ze vormen een gemengde gemeenschap met de aanwezig aseksuele. Het stuifmeel van aseksuele paardenbloemen is in belangrijke mate niet levensvatbaar. Dus een klein deel wel. Enfin, zo ontstaan weer nieuwe paardenbloemvariaties die vervolgens weer aseksueel kunnen zijn. Dus zichzelf voortklonen.
Enfin, het moge duidelijk zijn dat er op deze wijze veel microsoorten voorkomen (lijnen van klonen – en als ze zich maar lang genoeg, wijdverbreid, hebben verspreid, krijgen ze van de botanici een naam). Andersom gesteld: in Noord-Nederland en noordelijker (Scandinavië) komen dus alleen aseksuele paardenbloemen voor. De hamvraag is: bestaat Taraxacum officinales eigenlijk wel, of hebben we het over microsoorten? In het boek komt de T. officinales (dus) niet voor. Het is een overkoepelend begrip voor heel veel klonen, die als soort worden benoemd.
Moestuin
Voor de moestuinier is dit natuurlijk geweldig: vooropgesteld dat de kans niet heel erg groot is dat er seksuele en aseksuele paardenbloemen in je veld groeien, kan je het zaad van de beste paardenbloem oogsten. En dan weer uitzaaien. (Een andere manier van voortplanten is het nemen van een wortelstek. Zelfs het afsnijden van een paardenbloem zorgt ervoor dat de achtergebleven wortel niet één, maar meer nieuwe rozetten aanmaakt. Paardenbloem krijg je er niet zo makkelijk onder.)
Het is wel erg boeiend. Een deel van dit boek gaat over het aanleggen van een herbarium: dan ga je dus paardenbloemen verzamelen en uiteindelijk ook determineren. Want je wilt immers een zo breed mogelijke collectie en het beestje moet een naam hebben. Sommige mensen zijn fanatieke vogelaars en turven af welke ze hebben gezien, dat is enigermate vergelijkbaar met de paardenbloemjagers.
Soorten
Er zijn heel veel soorten paardenbloem. En ook voor klonen geldt de ‘survival of the fittest’. Dus sommige klonen gedijen ergens niet en andere wel.

In dit boek worden paardenbloemen in secties verdeeld. En binnen die secties komen series van soorten voor. De sectie Obliqua omvat de oranjegele kustpaardenbloem(en). In dit boek is er maar één soort van opgenomen: de Taraxacum obliquum. Komt voor in de kalkhoudende kustduinen van Walcheren tot en met Texel. Maar ook in Ierland, Noorwegen enzovoorts. De sectie Taraxacum (Ja, zelfde als geslachtsnaam, om het minder verwarrend te maken) omvat de weidepaardenbloemen. In Nederland komen er naar schatting duizend soorten van voor; tweehonderd zijn beschreven. Allemaal kleine afwijkingen.
In het boek leer je je ook binnen deze sectie makkelijk te bewegen. Er zijn 20 series en het volgen van de determineersleutel brengt je bij de juiste soort.
Als je door binnen de sectie naar een serie bent verwezen, tref je daar ook een kleine determineersleutel aan. Neem de serie Dilacerata (tongtoppige pijlpaardenbloem). Bladsteel behaard? Ja, dat is het de Taraxacum limburgense. Vrij algemeen in Zuid-Limburg. What’s in a name 🙂
Het is goed en duidelijk beschreven. Je wandelt er makkelijk doorheen. En de wetenschap dat er klonen zijn en dat naast ons huisje een veld paardenbloemen is, veroorzaakt haast de onbedwingbare drang om ze nu, subiet, te determineren en vast te stellen welke soort – klonenlijn – het is.
Bedreigde soorten
Klonen zijn leuk, maar ook niet handig. De soort kan zich niet weren door te kruisen met andere genen. Klonen kunnen ook vrij lokaal voorkomen. En als er op dit plek iets gebeurt, tja, dan zijn ze weg. Er zijn dus soorten die om een of andere reden zeldzaam zijn geworden. Ook hieraan besteden de auteurs aandacht.

En natuurlijk wordt de samenstelling van de paardenbloem, plant, bloemknoppen en bloemen, uitgelegd. Want als je die net voldoende kent, wordt het determineren lastig.
is er sprake van beharing, wat is beharing? En die vlekken op de bladschijf? Kleur van de bladsteel – die kan groen, roze of rood zijn, lezen we. Legio kenmerken worden beschreven en ondersteund met foto’s. Het is gewoonweg geweldig. Alleen missen we het onderdeel: smaak van het blad.
Als je iets meer wilt weten over de paardenbloem – dus geen recepten – dan is dit heel heel fijn boek.
