Recepten met tuinbonen

Tuinbonen

Vicia faba

Labboon, molboon, paardenboon, Roomse boon, veldboon (Nederlands); broad bean, fava bean, horse bean (Engels); Ackerbohne, Favabohne, Dicke Bohne, Puffbohnen, Pferdebohne (Duits); fève (Frans); fave (Italiaans); haba (Spaans)

Merk op dat deze plant weliswaar boon heet, maar geen zusje van de uit de Nieuwe Wereld afkomstige sperziebonen, snijbonen enz. Die heten phaseolus vulgaris en zijn pas na 1550 in onze contreien terecht gekomen.

Historie

Vicia betekent wikke. Een rankende plant, alleen is de tuinboon haar hechtranken verloren. De ene Vicia faba is de andere niet. Wij eten tegenwoordig een heuse tuinboon, waarvan er veel cultuurvariëteiten (rassen) zijn. De voorloper van onze tuinboon is de veldboon, die overigens nog steeds (en anno 2021 meer) als veevoer wordt geteeld.

Tot ergens in de zestiende eeuw was de vicia faba de enige boon die men zo’n beetje kende: de gewone boon, de (al)gemene boon. Toen de bonen uit de Nieuwe Wereld kwamen werden deze wel Turkse bonen genoemd – alles wat vreemd was, was Turks – en de gewone boon ook wel Roomse boon. Het begrip tuinboon is eigenlijk vrij nieuw.

De herkomst van de tuinboon is onbekend, zijn wilde voorouder is vermoedelijk uitgestorven. De meest naaste familieleden zijn Vicia narbonensis en V. galilea, doch die hebben een ander aantal chromosomen en kunnen niet worden gekruist met V. faba. Dus zijn het in elk geval geen voorouder.
Dit gewas is dusdanig lang door de mens in cultuur gebracht – en geselecteerd – dat het eigenlijk niet meer in staat is om zelf het zaad te verspreiden. Andersom gezegd: dankzij de mens bestaat de boon nog. (Een mooi voorbeeld van de symbiose tussen mens en gewas).

De oudste vindplaats van Vicia faba is Yiftahel, nabij Nazareth, waar men, naast linzen en emmer, 2600 goed bewaarde bonen vond, mogelijk wilde Vicia. Ze werden rond 6500 voor Christus gedateerd. Van toen tot de bronstijd (3000 – 800 voor Christus) zijn er geen archeologische gegevens. Opgravingen in Spanje, Portugal, Italië en Zwitserland, maar ook in Nederland, dateren van de bronstijd en later. Men vermoedt dat tuinboon uit de Vruchtbare Sikkel in alle richtingen is verspreid en zo tot de boon van de Oude Wereld werd. Tot 1550 in elk geval.

Bron: Caracuta, V. et al. The onset of faba bean farming in the Southern Levant. Sci. Rep. 5, 14370; doi: 10.1038/srep14370 (2015).

In Oostenrijk is uit archeologisch onderzoek gebleken dat drieduizend jaar geleden pap werd gemaakt met gerst, gierst en bonen. Ritschert is een traditioneel Oostenrijks recept met bonen en gerst dat dus mogelijk het oudste Europese gerecht is.

Egypte
De Egyptenaren teelden het langs de Nijl en maakten er o.a. al falafel van. De boon had een schier bovennatuurlijke status vanwege zijn voedzaamheid. Het was het basisvoedsel gedurende vele dynastieën. Maar ook in Perzië, bij de Grieken en Romeinen en later, voor Moslims. Maar Egyptische en ook Romeinse priesters aten het niet, aldus Plinius de Oudere in zijn Historia Naturalis, omdat de tuinbonen de zintuigen verzwakken en slapeloosheid veroorzaken. Farao Ramses III schijnt ooit bijna 12.000 vaten of vaatjes tuinbonen aan de God van de Nijl te hebben geofferd.

De Bijbel
In 2 Samuel 17 staat: [27] En het gebeurde, toen David in Mahanaïm aangekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, uit Rabba van de Ammonieten, en Machir, de zoon van Ammiël, uit Lodebar, en Barzillai uit Gilead, en wel uit Rogelim, [28] bedden, schalen, aardewerk, tarwe, gerst, meel, geroosterd koren, bonen, linzen – ook geroosterd – [29] honing, boter, kleinvee en kazen van koeienmelk bij David brachten, en bij het volk dat bij hem was, om te eten. Want zij zeiden: Dit volk is hongerig, moe en dorstig in de woestijn

Het kookboek kitab wasf al-at’ima al-mu’tada uit 1373 bevat een aantal mooie, vegetarische recepten met tuinbonen, voor zieken, monniken en christenen in de vastentijd. Zo is er een recept om de bonen langzaam met knoflook, olijfolie, komijn, citroen te garen in een kuil met hete sintels. Een soortgelijk recept staat in de Jeruzalemse Talmoed die rond het jaar 350 werd geschreven. Een perfect recept voor de Sabbat, omdat er eigenlijk geen werk aan is en geen vuur hoeft te worden gestookt. Het wordt hamin of cholent genoemd en is met de Joden meegereisd waarheen ze ook werden gedreven, dus ook het huidige Irak, Noord-Afrika en Spanje, waar het adafina heet en met kikkererwten wordt gemaakt.

Duivenboon, V. faba var. minor, modern en op archeologische vindplaatsen
bron: Caracuta, V. et al. The onset of faba bean farming in the Southern Levant. Sci. Rep. 5, 14370; doi: 10.1038/srep14370 (2015).

Pythagoras

We kennen Pyt van de stelling a2 + b2 = c2. Maar dat is niet het enige: Pythagoras was vegetariër (de naam Pythagoras betekent dat ook) en had een uitgesproken hekel aan tuinbonen. Het waarom is speculeren, want geen van zijn werken – uitgezonderd de beroemde stelling – is bewaard gebleven. Alle geschreven overleveringen van en over hem dateren van honderden jaren na zijn dood.
Een van de verklaringen is dat Pyt onder andere naar Perzië en India is gereisd en daar in reïncarnatie is gaan geloven. Bonen zouden deel uit maken van de reïncarnatiecyclus en huisvesting bieden aan zielen van overledenen. Tuinbonen wordt, door de oude Grieken, menselijke kenmerken toegedicht. Volgens Aristoteles lijken ze op testikels, volgens anderen springen ze open als ze worden geroosterd en dan lijken ze op schaamlippen. De tuinboon staat symbool voor zwangerschap en regeneratie. Er was zelfs een God van de bonen: Cyamites.

De meest voor de hand liggende reden om tuinbonen te bannen, kan wel eens favisme zijn. Een zeldzame ziekte die zwakheid, vermoeidheid, geelzucht kan veroorzaken en zelfs dodelijk kan zijn. Volgens sommigen wordt je er gek van. Vandaar de uitdrukking: ‘in de bonen zijn’.

Ook bij de Romeinen stonden bonen niet hoog in aanzien; er waren geen negatieve associaties, maar het was eenvoudig eten. De Romeinse landbouwkundige Columella schrijft dat kunstenaars bonen aten. Plinius voegt daar aan toe dat boeren en bouwvakkers ze ook aten. De Romeinse schrijver en dichter Marcus Valerius Martialis geeft in een van zijn epigrammen (boek 5, LXXVIII. ‘Op Turanius’) een vriend een eenvoudig maal:

“De tonijn ligt op de loer onder plakjes ei;
een bloemkool die heet genoeg is om je vingers aan te branden en die nog maar net uit de koele tuin komt, wordt uit de vrije hand groen opgediend op een zwarte schotel;
terwijl de saucijsjes drijven op sneeuwwitte pap, en de bleke tuinboontjes het rood dooraderde lardo  vergezellen;”

Romeinse wisselteelt

Stikstofknolletjes aan de wortels – foto: Commons Wikimedia, Rasbak

Opmerkelijk is dat een van de meest gerespecteerde Romeinse families de naam van de boon aannam: de familie Fabius. (En de Italiaanse voornaam Fabio betekent dus gewoon boon.) Waarmee gezegd is dat de boon niet armoede vertegenwoordigde. Apicius heeft niet voor niets een aantal recepten met tuinbonen in zijn De Re Coquinaria opgenomen.
Romeinen teelden ook tuinbonen omdat men wist dat deze en andere vlinderbloemigen stikstof in de grond vastlegden. Ze kenden dus al een vorm van wisselteelt – stukken grond werden een jaar braak gelegd of men teelde er tuinbonen.

Met de instorting van het Romeinse Rijk verdween ook de boon van het menu. En eigenlijk kromp de landbouw, net als de bevolking in de Middeleeuwen, tussen pakweg de jaren 400 en 600. Karel de Grote zette de tuinboon weer op het menu. In zijn ‘Capitulare de villis vel curtis imperii’ gebiedt hij ook tuinbonen te planten. En kikkererwten.

Vleesloze vrijdag
Onder invloed van het christendom, de vleesloze vrijdag en de Vastentijd groeide de tuinbonenconsumptie. Zij die aan de kust woonden aten vis. En de rijken aten ook vis. Maar voor de minder bedeelden in de binnenlanden was het zonder vlees of vis afzien. In veel kloosterorden gold de regel van soberheid; vlees werd als luxe gezien. Sommige waren volledig vegetarisch. En in het sprookje van Jaap en de Bonenstaak wordt de koe ingeruild voor bonen. Ogenschijnlijk een domme ruil, maar de moraal van het verhaal is dat bonen magisch zijn 😊

Zo werd mede dankzij het christendom en Karel de Grote de (tuin-)boon, maar ook andere peulvruchten, vanaf de Middeleeuwen weer basisvoedsel. Na het jaar 1000 groeide de Europese bevolking sterk. De landbouw nam toe en de temperatuur steeg ietsje, wat een hogere productiviteit betekende. Alfalfa, maar ook de tuinboon werd, als stikstofbinder, opgenomen in het vruchtwisselingsschema. De Romeinen wisten dit dus al, maar het werd herontdekt vanwege het boek ‘De agricultura’ van Pietro de’ Crescenzi (1230 – 1320).
Vanaf de tiende eeuw spreidde de teelt van tuinbonen zich uit over Europa en de mens at meer, groeide en leefde langer.

Nylandt’s boek

In De Nederlandtse Herbarius of Kruydt-Boeck van Nylandt, wordt de boon op pagina 60, tweede deel, genoemd. Althans hij onderscheidt: de kleine of veldboon, de grote of Roomse boon en de Turkse bonen. De veldboon wordt beschreven als: met vierkante holle stelen, langs de stelen komen welriekende bloemen voor, de peulen zijn van buiten groen en van binnen met een wolachtigheid bekleed, waarin de bonen schuilen.
De Roomse bonen zijn gelijk aan de veldbonen ‘alleen dat sy in alles grooter zijn.’
De Turkse bonen blijken daarentegen klimmers, zij winden zich om de staken. Dit zijn de bonen uit de Nieuwe Wereld. Dat kan, want de Herbarius dateert van 1682.

Alles wat vreemd was, werd Turks genoemd. Roomse bonen is de verwijzing naar de Italiaanse (Romeinse) herkomst van de tuinbonen.

De tuinboon komt voor in de werken van de meeste artsen-botanici uit die 16e en 17e eeuw. De afbeelding links is uit The Herbal (1633) van John Gerard. De afbeelding in het midden zou uit het Cruydt-Boeck van Rembert Dodoens uit 1618 zijn (toen was Dodoens al overleden) en rechts, de gekleurde, uit 1554. Er werd in die tijd veel geleend: de afbeelding in The Herbal is hetzelfde als die in het midden.

Het is ook de tijd dat er sprake is van een grotere, bredere variant van de veldboon, onze uiteindelijke tuinboon. Rembert Dodoens constateert, net als Nylandt, dat de faba waar de Romeinen en Grieken over spraken klein en rond is, “daer en teghen is de vrucht van onse Ghemeyne Boonen lang-worpigh/breedt/ende (om de selve met de Faba te verghelijcken) eer groot dan kleyn”.  

Droge bonen, verse bonen

Geleend van Waldfarming

De tuinboon of naaste verwante, was tot voor kort vooral een gedroogde boon die werd geweekt en gekookt. Tot soep of in een gerecht. Of tot meel werd verwerkt, net als lupinemeel of kikkererwtenmeel. Het is een vraag wanneer het als verse groente werd geconsumeerd en echt tuinboon ging heten.

Kookboeken werden op een gegeven moment voor en door de koks van de verhevene klasse geschreven. De wijze waarop de receptuur is geschreven, vereist ook dat de lezer kan koken. Er staan zelden maten en gewichten bij. En bovendien, het volk kon lezen noch schrijven en kookte meest in één pot. Deden ze daar verse tuinbonen in?

In Curye on Inglysch en The Forme of Cury – beide veertiende-eeuwse Engelse kookboeken – staan diverse gerechten met bonen. Onder andere een soep met gepureerde bonen, amandelmelk, wijn, honing en in wijn geweekte rozijnen (II 81), een recept voor spek en bonen (IV 3 – alleen de schil van de tuinboon wordt verwijderd) en een soep met gemalen bonen (IV 4 – dat moeten wel gedroogde bonen zijn om ze met een vijzel te vermalen).

Er staat ook een recept in waarin het blad en de bloemen van de bonen tot een groentesoep worden verwerkt.

In Eenen Nyeuwen Coock Boeck van Gheeraert Vorselman uit 1560 vinden we een recept ‘Boonen, gefrijt, Rooms’ (p 198) – dat blijkt identiek te zijn aan faba in frixorio zoals dat in De re coquinaria van Apicius staat. Gedroogde tuinbonen worden geweekt en gekookt. In de receptuur van het Amsterdams Burgerweeshuis (1733) wordt in de menu’s tuinbonen opgenomen, tussen snijbonen, grauwe erwten en peultjes. We mogen ervan uitgaan dat dit dan (ook) verse tuinbonen betreft.

De boneneter van Anninale Carraci, rond 1585 geschilderd. Maar welke bonen eet de man? Oogbonen of tuinbonen?

In de zeventiende geheel opnieuw bewerkte druk van “Aaltje de volmaakte en zuinige keukenmeid” (1887) wordt voor bonensoep naar de bereiding van erwtensoep verwezen. Er wordt uitgeweid over het nut van gedroogde peulvruchten die veel eiwit hebben: “Ze bevatten over het algemeen evenveel eiwit als het vleesch, sommige zelfs meer.” ( p248)  En: “In de wintermaanden van November tot April komen ze nagenoeg dagelijks op tafel: in den winter behoeft men meer voedsel dan in den zomer” (p 249). In de zomer eet men ze vers als het overige in de maaltijd arm aan eiwit is. De tuinboon wordt genoemd bij doperwten en aspergebonen (= sperziebonen). Op pagina 285 staat zelfs “Hoe jonger hoe beter. Men dopt ze vlug en zet ze dadelijk in water met zout op.”
Een paar jaar daarvoor verscheen ‘Betje, De Goedkope Keukenmeid’ (1850). Daarin worden Roomsche boonen vermeld, onduidelijk is of ze vers of droog en geweekt zijn. Ze moeten in elk geval een kwartier in regenwater met zoete melk worden gekookt.
Als we meer naar het hedendaagse gaan, dan worden in Het Spaarzame Keukenboek van Caudelier (1914) fèves de marais à la Béchamel (p 366) en ook met peul en al als snijboon (p 367). Tenslotte vermelden we dat in de Wannée (vierde druk, 1916) verse tuinbonen worden gedopt.

Joachim Beuckelaar – De vier elementen: Aarde (1569). ZIjn dat verse veldbonen, dus tuinbonen, wat daar ligt?

We gaan ervan uit dat verse tuinbonen altijd wel zijn gegeten, maar vooral rijp, gedroogd zijn bewaard om als winterkost te dienen. Tuinboon als groente, vers, jong geplukt is iets dat pas eind negentiende eeuw zijn intrede in kookboeken doet.

De veldboon als meelgewas en zetmeelleverancier is in de achttiende en negentiende eeuw verdrongen door aardappels en Phaseolus-bonen. Als veevoer is veldboon vervangen door geïmporteerde soja. Ondertussen zijn we de grote variant van de veldboon, de tuinboon, gaan kennen. Een jonge, grote, onrijpe boon.

Sicilië

Tuinbonen speelden ook een rol in religieuze feesten, zoals het oogstfeest ‘fabariae kalendae’ in juni, waarbij verse tuinbonen werden geofferd en gebruikt in allerlei riten. Ook hier de relatie tussen de boon en de zielen van de overledenen.

Op Sicilië heeft de tuinboon een speciale status. Het verhaal gaat als volgt: Tijdens de Middeleeuwen was er een lange periode van droogte. Dat leidde tot mislukte oogsten en honger. De bewoners baden tot de Heilige Jozef en smeekten om regen. (Jozef is de pleegvader van Jezus, want Jezus is immers uit de onbevlekte ontvangenis van Maria voortgekomen.) En het regende. Veel. De enige bonen die de droogte hadden doorstaan en gingen groeien, waren de tuinbonen. Sindsdien wordt op 19 maart, de dag van deze heilige, op Sicilië met tuinbonen gevierd: in de kerk op het altaar, maar ook bij festiviteiten en processies op die dag. (Als je op dit gegeven googelt, kom je eerder terecht in kerken in New Orléans (VS). Dat komt omdat daar, rond 1800, de Franse wijk voor 80% Siciliaans was/is.)

Op Allerzielen bakt men in veel Italiaanse regio’s taartjes in de vorm van een tuinboon, de zogenaamde fava dei morti (tuinbonen van de doden).


Culinair

De jonge peul wordt open geknepen en de bonen worden eruit gehaald. Rauw gegeten als een tapa of gekookt, gestoomd. Dubbel gedopte bonen zijn extra lekker: na even koken wordt het velletje van de boon gehaald. Dubbel gedopte bonen worden zo gegeten – in een gerecht – of gepureerd.

2230 GRAM ONGEPELDE TUINBONEN LEVERT 730 GRAM BONEN. DUS GROFWEG EEN DERDE VAN HET GEWICHT.

Bewaren

Verse tuinbonen, in de peul, een week in de koelkast. Gedopte bonen verkleuren snel.
Gedroogde tuinbonen kunnen later worden geweekt en genuttigd. Net als droogbonen.

Voedingswaarde

Gedopte bonen, rauw, per 100 gram:

calorieën 341 kcal
water 11 gr
eiwitten (proteïne) 26,12 gr
vet 1,53 gr
koolhydraten 58,29 gr
voedingsvezel 25 gr
suikers 5,7 gr
mineralen calcium (103 mg), ijzer (6,7 mg), fosfor (421 mg); natrium (13 mg); kalium (1062 mg); magnesium (192 mg); zink (3.14 mg)
Vitaminen:  
vitamine A 3 µg
thiamine (B1) 555 µg
riboflavine (B2) 333 µg
niacine (B3) 2,8 mg (283 µg)
pantotheenzuur (B5)  
vitamine B6 0,366 mg (366 µg)
folaten (totaal – B11/ B9) 423 µg
cobolamines (B12) 0 mg
ascorbinezuur (C) 1,4 mg
vitamine D 0 mg
vitamine E (alfa-tocopherol) 50 µg
Vitamin K (phylloquinone) 9 µg
Aminozuren Alle 20 natuurlijk voorkomende komen in behoorlijk hoge mate voor. Van 247 mg (tryptofaan) tot 4,4 gr (glutaminezuur)
Lipiden:  
Verzadigde vetten 254 mg
Enkelvoudig onverzadigd 303 mg
Meervoudig onverzadigd 627 mg
Cholesterol 0 mg

Nul is ook een waarde, maar waar niets is ingevuld is onbekend.

Teelt

Zaaien Vorstbestendig. In januari/februari zaaien in de koude bak (bij gebrek aan koud glas in maart ter plaatse). Diepte 5 – 10 cm. De boom kiemt vanaf 5o C. In een koude bak: licht en niet te warm, anders worden de planten lang en slap.
Volkswijsheid: Men moet tuinbonen voor 19 maart (Sint Jozef) gelegd hebben.
Uitplanten (koud glas) in maart in de moestuin planten
Oogst in juni/juli worden de onrijpe peulen geplukt. Hoe later, hoe harder de huid van de boon en hoe meliger de boon

De planten worden ca. 120 cm hoog. In principe hebben ze geen steun nodig, maar de eigen ervaring leert dat op den duur meer dan de helft een stok ernaast heeft.

Plantafstand: 15 cm in de rij; 60 cm tussen de rijen. Ook wordt wel in dubbele rijen gezaaid, 20 cm van elkaar. En dan tussen de dubbele rijen 60 cm aanhouden.

Water: Bij droog weer rond de volle bloeitijd.

Tip: Neem na 6 tot 8 trosjes bloemen de kop uit de plant. Dan wordt ie minder aantrekkelijk voor luizen.

Bemesting

Op zandgrond matig compost (of mest). Op andere gronden geen, maar wel wat kali.

Bodem & standplaats

Alle grondsoorten. De grond moet wel genoeg vocht kunnen leveren. De tuinboon is nogal gulzig, voor een boon. Bij het uitplanten maak ik een voor waarin onderin een hoeveelheid compost komt. Dat is (a) voeding en (b) vochtvasthoudend. Maar ja, wij zitten dan ook op de armste zandgrond van Nederland.
Vanwege de kans op schimmelds: een vruchtwisseling van eens per vier jaar [4] of vijf jaar of ruimer [2]. (Wij hebben een zesjaars-schema.)

Rassen

Mrs Grief’s Brown Flowered

Oude rassen: Witkiem, Leidse of Lange Hangers, Driemaal Wit
Nieuwe rassen: Express (oogst in juli, is vroeg ivm de luisaantasting), Listra en Thalia blijven na het koken wit en zijn minder bitter.
(Wij hebben altijd Witkiem Major geteeld. In 2008 wordt dit Express. Waarom? Omdat Thompson & Morgan in mei zaad voor half geld wegdoet en we nu eens deze hebben gekocht.)
De laatste jaren vermeerderen we allerlei rassen voor de Heritage Seed Library. Dan eten we weinig tuinbonen. Een hele mooie is Mrs. Griefs Brown Flowerd – ja, met bruine bloemen.

Zaadteelt

Eind augustus. Tuinbonen zijn kruisbestuivers. Insecten doen het werk. Zet geen andere soort tuinbonen in de buurt, of je creëert een nieuw ras. De aanbevolen afstand tot andere tuinbonen is 1 km. Als de onderste peulen zwart worden, trek je de hele plant uit de grond. In schoven bijeen zetten of ergens beschut en warm ondersteboven ophangen om te drogen. Droge peulen barsten makkelijk open. Let op dat de bonen niet ‘bezet’ zijn door de larve van de tuinbonenkever. (Mooie kleine ronde gaatjes.) Lees hier meer

Kiemen
Er zijn witkiem en zwartkiem tuinbonen. Dat is dat “streepje” op de boon. Soms komt het voor dat de kleuren variëren: dat is niet zo best. Maar u weet dan in elk geval zeker dat het gekruist is met een ander ras.

Ziekten en belagers

Genoeg. Een paar belangrijke:
Vogels willen nog wel eens bonen uit de grond pikken. Diep planten. Of onder koud glas ‘voorzaaien’.
Zwarte bonenluis: kan een heuse plaag zijn. Vroeg zaaien is de beste preventieve maatregel. En verder de boon niet te droog laten worden, dus regelmatig gieten. Droogte trekt de luis aan. Combineer het met dille of bonenkruid.
Zwarte luis kunt u bestrijden met een mengsel van groene zeep en spiritus of onverdunde thee van rabarberblad (1 kg kleingemaakt blad overgieten met 5 liter kokend water en een uur laten trekken).
Schimmels: chocoladevlekkenziekte. Bruine vlekken en strepen. Door vochtig weer tieren de schimmels welig. Zet de planten niet te dicht op elkaar. (Daar is ie weer: WORD = Wide, Organic, Raised beds, Drainage.)
Tuinbonenkever: de larve verpopt in het zaad. Er is een klein rond gaatje zichtbaar. Het is over het algemeen geen grote plaag in de ecologische moestuin (aldus [2]).

Literatuur: [1] Food Plants of the World; [2] Handboek Ecologisch Tuinieren; [3] Planten voor Dagelijks Gebruik; [4] Groente & Fruit Encyclopedie; [5] Wikipedia 2008-2021; [6] USDA National Nutrient Database for Standard Reference Release 28; [7] Scientific American 08-08-2012; [8] Kraut & Rüben; [9] Recent Excavations at the Neolithic Site of Yiftahel (Khalet Khalladyiah), Lower Galilee, Omry Barzilai, 2008; [10] Informatie over archeologische vondsten uit RADAR, versie 2012, aangeleverd door M. Hondelink; [11] Beans, A History, Ken Albala, 2007; [12] The Name of Plants, David Gledhill, 2008

6 gedachten over “Tuinbonen”

  1. Beste mensen,
    Mooi, leuk en interessant artikel. Ik heb de in het artikel de oude rassen gezaaid. Tot dat ik de Karmazyn tuinboon een keer probeerde, wat een lekkere tuinboon. Adulce is bij mij 2 keer niet gelukt. Maar de soorten genoemd in het artikel ga ik proberen.
    Met vriendelijke groet,
    Arie Quist

    Beantwoorden
  2. Fantastisch artikel!!!
    Oud zaad? Eet nu tuinbonen van 9 jaar oud zaad, bijna alles opgekomen, en zonder water geven. (Catalonië, Spanje)

    Beantwoorden

Plaats een reactie