Erwt

Pisum sativum
erwt, spliterwt, velderwt (Nederlands), Gartenerbse, Speiseerbse (Duits), garden pea, field pea (Engels), pois, pois cultivé (Frans), guisante (Spaans), pisello (Italiaans)

De peul van de erwt is van nature voorzien van een taaie binnenhuid en daarom niet goed eetbaar. Dan wordt de erwt gedopt. Bij de peultjes ontbreekt die binnenhuid. De suikererwt of sugarsnap wordt ook met peul en al gegeten. Ze is een kruising tussen de doperwt en het peultje. Het is de eerste keer in 1952 op de markt gebracht.
Pisum sativum var. arvense (kapucijners of grauwe erwten – arvense betekent: van de akker)
Pisum sativum var. saccharatum (peultjes)
Pisum sativum var. marcrocarpon (sugar snaps)

Naam

Onze naam erwt is meest waarschijnlijk afgeleid van het Middelhoogduits araweiz dat in oude kruidenboeken in de zestiende eeuw als Erweiß en Erbeiß werd geschreven. En dat werd Erbse en onze erwt. Maar het kan ook een andere oorsprong hebben: Ervum zou komen van het Keltische erw, dat bebouwd land betekent.
Voordat Pisum het algemene begrip werd, werd in Latijnse teksten (ook) Ervum gebruikt. Volgens Van Hall [17] en Uilkens [18] is Pisum afgeleid van het Keltische pis, dat dus erwt betekent. Enkelen beweren ten onrechte dat Pisum komt van de stad Pisa, want daar, zo luidt de onderbouwing, werden veel erwten geteeld. Uilkens voert ook het Griekse woord pipto, dat vallen betekent, op als mogelijkheid. De erwtenplant valt om zonder steun. En anderen zeggen dat het van pisso is ontleend, dat zo veel als ‘van de schil ontdoen’ betekent. De Engelse, Franse en Italiaanse naam zijn dus van het Latijnse Pisum afgeleid.

Historie

Er is weinig bekend van het vroegste stadium van domesticatie, dat komt vooral door de vele kleine vooral morfologische veranderingen die vandaag de dag niet meer bestaan [14]. Er is dus heel lang door de mens geselecteerd. En weggegooid.

De eerste erwten kenden een verspreidingsgebied van West-Frankrijk tot de westelijke Himalaya (noordwest India, Pakistan) in de steppen. Het gras dwong de plant naar de buitenste randen en daar verzamelde de mens de oererwt Pisum sativum var. elatius met de grijsgrauwe peulen en paarse bloemen. Deze komt nog in het wild in de Balkan en aan de kust van de Zwarte Zee (noord Turkije) voor [1] [8].

Het selecteren en in cultuur brengen vond voor het eerst in de Gouden Sikkel (de bergachtige buitengebieden van Afghanistan, Pakistan en Iran) en Tweestromenland (tussen de Eufraat en de Tigris) plaats. [1] Midden jaren vijftig van de vorige eeuw stelde men vast dat het centrum van ontstaan nabij de Kaukasus – dus aan de Zwarte Zee – moest zijn, gezien het feit dat daar veel wilde soorten van vlinderbloemigen en erwten voorkomen, zoals de vavilovia (Vavilovia formosa), die genetisch gezien nauw verwant is aan de Pisum en Lathyrus. De verspreiding ging richting Zuidoost-Europa en verder, in eerste instantie via de Donau [14] – die mondt uit in de Zwarte Zee -, maar net zo hard naar India en Tibet. De Germanen pikten de erwt op en brachten hem al rond 600 voor Christus naar Noord-Europa. Daarmee is de erwt misschien wel het oudste cultuurgewas van de mens. Zo blijkt dat bijvoorbeeld in India, waarbij de hedendaagse naam nog duidelijk gerelateerd is aan het Sanskriet, de taal die 5000 voor Christus en eerder werd gesproken.

Archeologische vindplaatsen van onder andere erwt (pea)

Kijkt men naar de genetische diversiteit van Pisum, dan ziet men vier kernen: centraal Azië ((P. sativum), het Nabije Oosten (Turkije, Syrië, Irak, Jordanië, Libanon en Israël – P. fulvum), Abessinië (Ethiopië, Jemen – P. abyssinicum) en het Mediterrane gebied. [13] Waarbij de laatste twee als secundair worden gezien [14]. En natuurlijk de wilde P. sativum var. elatius.

Oererwt roveja – de bloem
Oererwt roveja – erwtjes van een paar mm

Erwten zijn, net als de vroegere veldbonen (tuinbonen) en vandaag de dag rijst en aardappels, een basisvoedsel. Net als bij de veld- c.q. tuinboon voelde de mens al snel aan dat het eiwit van de erwten gezond is. Lange tijd gebruikte men alleen de droge zaden, rijp geoogste erwten.

Erwten werden vaak tezamen met granen verbouwd. Als de een een misoogst kent, heeft men de andere nog. De oudste, verbrande zaden van de grauwe erwt zijn gevonden in holenwoningen in Hongarije. Men dateert ze op 8.000 jaar voor Christus. In Spanje, in de grotten van Santa Maira zijn vondsten gedaan die op 10.000-9.000 voor Christus worden gedateerd [1] [14]

Paalwoningen bij Unteruhldingen, foto: AngMoKio, Commons Wikipedia

Maar ook in Zwitserland zijn, in de Moossee, op de bodem onder de paalwoningen erwten aangetroffen, bewaard onder een laagje bodemslik. Deze zijn allemaal maximaal drie millimeter doorsnee. Er zijn in Europa zo’n vijftien vondsten uit de steentijd. [1] De oudste vondsten in Nederland dateren van 5300 – 5000 voor Christus, van het Janskamperveld in Geleen. Hierna komt de bronstijd en vondsten uit die tijd hebben grotere erwten ca. halve cm. Dat wijst op selectie. Uit deze en andere archeologische vondsten blijkt ook dat de eerste erwten die de mensen aten bruin van kleur zijn. Deze selectie op grootte ging natuurlijk door, tot op de dag van vandaag.

In Homerus’ Illias wordt erwtensoep gegeten, het is een geliefd volksvoedsel. Hippocrates zou na het schroeien van zijn aambeien een brij van erwten erop smeren om de pijn te verzachten. Hij kan het weten, hij is de vader van de geneeskunde. Een andere geneesheer, Dioscorides, stelt dat de erwt milt, lever, nieren en galblaas ontlast. De serieuze teelt van erwten wordt door Theophrastus (372-287 v Chr) beschreven. Ze heten bij hem pison/pisos. Later, in de eerste eeuw voor Christus, beschrijft de Romein Marcus Terentius Varro eveneens de teelt.

Mooie ronde bleke en groene rijpe, droge erwten

Droge erwten, verse erwten
Hoewel de erwt, hoe klein dan ook, vooral gedroogd werd geoogst en bewaard, werd ze ook, zij het in mindere mate, vers geconsumeerd. Apicius adviseert in zijn kookboek om nitraat aan het kookwater toe te voegen, het maakt de erwten sneller zacht en houdt ze ook mooi groen. En hij gebruikt verse erwten, onder andere in zijn recepten met mosselen. Groene, verse erwten zijn echter sinds het begin van onze jaartelling geconsumeerd. De Griekse arts Galenus van Pergamon raadt aan om verse erwten te eten, want die zijn makkelijker verteerbaar dan gedroogde.
Plinius de Oudere looft erwtensoep en -brij – van droge erwten – als voedsel voor de werkende klasse.
Overigens werden kikkererwten  (cicer) als minderwaardig beschouwd. Bij veel oude Romeinse nederzettingen in Midden-Europa zijn erwten opgegraven.

Donderdag erwtendag
Net als bij de tuinboon betekende de Grote Volksverhuizing het einde van het Romeinse Rijk. Van erwtenteelt bleef niet veel over. Enkele uitzonderingen daargelaten, zoals Scandinavië waar weinig volk werd verhuisd. Volgens de mythe was de Germaanse god Thor gek op erwten en wordt het – naar verluidt erwtensoep – in de noordse landen dus op donderdag (de naamdag van Thor/Donar) gegeten. En zou zo zijn dat Thor (Donar) het na het eten van erwten extra luid liet donderen….[4]

Na de Romeinse tijd, aan het begin van de zesde eeuw, werd de zogeheten Salische Wet ingevoerd en daarin is de aanleg van pissaria (erwtenvelden) opgenomen. Karel de Grote komt later met zijn Capitulare de Villis. Daarin zijn kikkererwt, de grauwe velderwt en de Turkse erwt (een zoete velderwt met de naam Pisum mauriscum) opgenomen. [2] Die wordt de Germaanse cultuurerwt bij uitstek.
In de Middeleeuwen vormen de grauwe erwt, zwart roggenbrood en havermoutbrij, water en wei het gewone voedsel [5]. Erwten werden ook als veevoer gebruikt. Feit is dat in die tijd, tot de zestiende eeuw, men niet erg keek naar het onderscheid tussen erwt en boon. (En nog steeds weten veel mensen niet het verschil tussen een bruine boon en een kapucijner.) De grauwe erwt of akkererwt, wordt al zeer vroeg soms kapucijner (capucijner) genoemd, naar de kleur van de habijt van de monniken. Grauwe erwten stooft men met uitgebakken spek.

In de latere Middeleeuwen zien we dat bijvoorbeeld in Duitsland de erwt als betaalmiddel voor pacht aan abdijen geldt. De velderwt is in die tijd een belangrijk akkerbouwgewas, misschien wel het belangrijkste. In de Lage Landen eet de gegoede bevolking tarwe en erwten, het gewone volk gerst en bonen en de armelui knollen. Door groeiende welstand en meer aandacht voor de gewassen, ontstaat in de zestiende eeuw een verschil tussen de (kleine) akker- of velderwt en de grotere tuinerwt.[1]

Rozijnerwt Kola (Kool’s Langstro)

Onze doperwt
Eigenlijk is het onduidelijk waar en wanneer de “hedendaagse” doperwt, dus de onrijpte gedopte gekookte erwt, voor het eerst bij de maaltijd werd geserveerd.
[1] Zegt dat de groene doperwt naar alle waarschijnlijkheid uit Italië in Frankrijk is beland met de komst van Catharina de’ Medici, die in 1533 trouwde met de toekomstige Franse koning Henri II. Catherina sleepte een volledig team keukenpersoneel en allerlei, in Frankrijk nog onbekende, groenten mee, zoals ook spinazie en broccoli. Zowel Catharina als Henri waren veertien jaar jong toen ze trouwden. Hoewel het vaak wordt aangevoerd, komt dit verhaal ons wat ongeloofwaardig over.

[15] schrijft dat men in de zeventiende eeuw in Frankrijk onrijp geoogste erwten als delicatesse ging serveren. Dat is dus pakweg honderd jaar na Catharina.
Maar in [16] wordt verslag gedaan van een Pauli-maaltijd in Arnhem in 1516, waarbij ‘afgheryde ertten’ worden geserveerd. Gedopte erwten dus. Dat is voor de zeventiende eeuw en voor 1533.

Het is evenwel niet onmogelijk dat de doperwt uit Italië in Frankrijk is gekomen. Een andere bron zegt dat er in Frankrijk een selectie ontstaat die de basis vormt voor de huidige doperwt. Dat wordt in de Lage Landen dan wel snel overgenomen; doperwten – en groene bonen – leveren meer geld op dan gedroogde. Men exporteert naar Engeland waar men er grif voor betaalt. In Nederland zelf blijft men gedroogde erwten eten. Ons bint immers zuunig. Het consumeren van groene doperwten is in de zeventiende eeuw vanuit Nederland ook over de rest van Europa gegaan. [4] draait het om: Het waren de Nederlanders die de verse erwten – doperwten, petit pois – in Frankrijk introduceerden. In elk geval gold de verse groene doperwt als een specialiteit voor de verhevene personen. Pas tegen het einde van de negentiende eeuw werd het volksvoedsel. [7]

Oude kruidboeken
In de oudere kruidboeken behandelt men zowel pisum als lathyrus onder erwten. Het is zo dat er een eetbare lathyruserwt bestaat, die vooral nog in Zuid-Europa (Portugal, Italië) wordt gegeten en ook in Afrika. Die heeft wel iets van een kikkererwt en Dodoens noemt het Lathyrus cicerula – platte erwten.

Scan uit Pempates Sex van Rembert Dodoens, 1583

Rembert Dodoens maakt in zijn Cruydt-Boeck (1554) onderscheid tussen twee soorten erwten: “kleine/gewone/gemeyne en groote Roomsche oft Stock-Erwten” – die wel doperwten lijken. De kleine worden in het voorjaar gezaaid en zijn ’s zomers rijp, worden gedroogd en dienen als wintervoorraad. De Roomse noemt hij ook “graeuwe erweten oft oude wijfkens vanwege haar bruynheit ende gerimpelde huydt” – hetgeen toch sterk op onze hedendaagse grauwe erwt ook wel rozijnerwt ook wel kreukerwt genoemd lijkt.  

Peultje
Mathias de Lobel schrijft een curieus stukje op pagina 77 van zijn Kruydtboeck (1581):

“Seigneur Jeronimo Scholier zeer goet ende vermaert coopman van Antwerpen heeft mij en zijn vrienden mede ghedeylt van sommighe Erwten vande wecke de hauwen gheen vellekens en hebben/ waer door sy lieflijcker zijn om groen met de schellen te eten. Dese heeft hy nu onlanks over ghebrocht uit een stedeken ghenoemt Wilde / ghelegen bij Prussia.” 

(Hauwen zijn in dit geval de eigenlijke peulen.) Vermoedelijk is dit de introductie van peultjes. Het sluit aan bij wat [1] schrijft, dat peultjes uit Litouwen zouden komen.

Steven Blankaart kent in zijn ‘Den Neder-landschen herbarius ofte kruid-boek der voornaamste kruiden’ (1698) twee soorten erwten: Pisum majus, Grauwe-Erwten en Pisum minus, geele en groene Erwten. Over P. Majus schrijft hij: “[…] vers zynde hebben sy een witagtige koleur, en zyn rondagtig: maar gedroogt zynde, schynen sy wel vierkantig te zyn, en bruin gespikkelt: en dese noemt men groote Stok-Erwten, Grauwe-Erwten, Ouwe-Wyven, Veld-Patrysen, enz. Roomse-Erwten enz.” En over de P. minus: “…. van maaksel ganschelyk gelyk, alleen dat het in alle deelen wat kleender is.” En: “Daar is van dese soorte een gewas, dat nauwlyks ander halve voet hoog wast, staande regt op als een Heestertjen. Men vindse in de moes-hoven: werden in Lente gesaaid, en geven des somers bloemen en Peulen. Dese soorten werden voor spyse gebruikt, en verscheidentlyk bereid. Dese nog jong zynde, werden van sommige met hare Peulen aan een draad geregen, gedroogt, en in de winter geweikt, gekookt, en als versche Peulen genuttigt.”

Knoop [22] onderscheidt maar liefst vijftien soorten en rassen doperwt – althans, erwten die gedopt dienen te worden – en twaalf peul-erten of Zuiker-Ert. Hij beschrijft ze allemaal kort. We merken onder andere de Wilde-Ert of Strand-Ert op. Deze is toentertijd nooit gecultiveerd. Misschien omdat het toch geen pisum is maar een lathyrus? De Zwart-gat Zuiker-Ert is een hoog groeinde erwt met tamelyk groote Peulen: “Ze is kenbaar aan de Erten welke een zwarte vlek omtrent het Spruitje heeft, en wat vierkant of gerimpelt is.” (Overigens zijn in het in 1766 verschenen Jardinier d’Artois ook vijftien soorten erwten vermeld.)

Leuk om te lezen is dat als de draden eraf zijn getrokken, de Zuiker-Peulen langzaam in een oven kunnen worden gedroogd om ze in de winter weer “te weeken, opgestooft als versche Peulen, en hebben byna dezelfde smaak.”

Enkele erwten uit het boek van Vilmorin-Andrieux

Roodschokkige erwt voor meel
Zowel Uilkens [18] als Vilmorin [21] maken onderscheid gemaakt tussen doperwten – dus erwten die moeten worden gedopt, gedroogd of vers groen gegeten (doperwten, grauwe erwten, kapucijners e.d.) – en die met eetbare peulen (peultjes of sluimerwten en tegenwoordig ook sugar snaps). Voor wat betreft de erwten worden de ronde en de min of meer gekreukelde erwten onderscheiden, wit (bleek),  groen of bruin. En voor alle geldt: langstro (stam), halfstro en kortstro (struikvarianten). [18] De kapucijner is deel van de klimmende doperwten. Waar precies het onderscheid tussen veld- en consumptiedoperwten ligt, is onduidelijk. Er wordt geen blauwschokker genoemd, wel een roodschokkige “eene uitmuntende verscheidenheid met donkerrode schokken, die nogthans zeer aan het verloopen overhevig zijn, lekker van smaak. Volgens getuigenis van den Heer LAWSON te Edenburg, wordt deze erwt sterk in Schotland gezocht, waar men er meel van maakt, ten dienste van de arbeidzame klasse.”
Rozijnerwten zijn ook doperwten. “De zaden overtreffen die der gewone doperwt een weinig in grootte, doch hebben eene aangename hoogbruine kleur, zes voet.”

Fragment uit Uilkens [18]

Indeling tegenwoordig
Er is in de afgelopen eeuwen, nee, duizenden jaren, zo veel veranderd dat wat hierboven staat niet met de hedendaagse werkelijkheid overeenkomt. Toen was een doperwt een erwt die moest worden gedopt. Tegenwoordig denken we aan de ronde groene bal diepvries, in pot of blik en voor de moestuiniers: vers. En verse onrijpe kapucijner, die ook groen is, maar niet egaal rond, noemen we geen doperwt. Maar moet wel worden gedopt.
Onder doperwten vandaag verstaan we rondzadige en kreukzadige. De velderwten of landbouwerwten worden rijp – dus droog – geoogst: dat zijn ronde groene erwten (spliterwten), schokkers, kapucijners (bruine schil), rozijnerwten (gekreukelde schil en wat gemarmerd bruin) en grauwe erwten (bruin met wat witte spikkels) en voedererwten. Verse kapucijners zijn groen, rijpe, droge bruin. Daarom zijn geweekte kapucijners uit pot of blik bruin. Voedererwten worden niet meer geteeld, omdat soja wordt geïmporteerd.
Over het algemeen worden grauwe erwten, rozijnerwten en kapucijners allemaal kapucijner genoemd; de toepassing is hetzelfde.

Opmerkelijk

Maggi
Maar zonder erwten geen Maggi. De Zwitserse molenaar Julius Maggi, die begaan was met het lot van de arme mensen, lukte het in 1886 om een soort van droge erwtensoep op de markt te brengen, die alleen nog met water hoefde te worden aangelengd. Al snel zijn er tweeëntwintig soepen op de markt. Tussendoor ontstaat, op zoek naar een middel om de soepen te kruiden, de Maggi aroma. Dat Maggi werkelijk beroemd maakte.

Gregor Mendel – foto: Wikipedia Commons

Mendel
Stel dat Gregor Mendel geen erwten ter beschikking had, zou de erfelijkheidsleer dan zijn ontdekt?

Roveja
De roveja is een oeroude erwt die vandaag de dag nog maar door enkele boeren in het midden van Italië wordt geteeld. Het zou in het neolithicum al tot het basisvoedsel van de toenmalige mens hebben behoord. Sommige wetenschappers beweren daarom dat roveja de stamvader is – de wilde voorvader – van de huidige erwten. Lees er hier meer over.

Sex
Olie van erwten heeft een antisex hormonaal effect, oftewel, veroorzaakt steriliteit doordat het de mannelijke hormonen tegenwerkt. [11]

Erwtenman – foto: Ruben Koman, Wikipedia Commons

Sint Jan Den Bosch
In de gevel van de Sint Janskathedraal in Den Bosch, prijkt een beeldhouwwerk van een man die een pot erwten omschopt. De Erwtenman. De overlevering zegt dat dit mansgrote beeld in de 15e eeuw is gemaakt. Een van de arbeiders, het zou een bouwmeester zijn geweest, schopte een pot met gekookte erwten om, omdat hij ontevreden was met de beloning.

Culinair

Groene erwten worden gekookt als een groente, direct geserveerd of ingeblikt of ingevroren. Gedroogde erwten worden heel, gespleten of als meel bewaard. Het bladgroen wordt in delen van Azië en Afrika gegeten, maar nu ook in de vorm van erwtenscheuten in Europese chique restaurants.

Kreukerwten zouden smakelijker zijn dan gladde erwten [12]

Zelfs dit kan met erwten

Er zijn talloze recepten met doperwten, gedroogde spliterwten (erwtensoep), peultjes, verse en gedoogde kapucijners. Wij telen vooral peultjes (die we soms tot erwten laten groeien) en kapucijners (kola) die we vers eten dan wel gedroogd oogsten, later – in de winter – weken en koken.

Vandaag de dag wordt erwteneiwit steeds meer als ingrediënt gebruikt, bijvoorbeeld in vegetarische of veganistische producten.

Bewaren

In [22] staat dat als de draden van de erwtenpeul zijn getrokken, de Zuiker-Peulen (doperwten) langzaam in een oven kunnen worden gedroogd om ze in de winter weer “te weeken, opgestooft als versche Peulen, en hebben byna dezelfde smaak.”

Nog ongedopte, verse erwten kunnen in een open zak in de koelkast of koele kelder een paar dagen worden bewaard – uiteraard temperatuurafhankelijk. Verse gedopte erwten hooguit een dag in de koelkast. Merk op dat de erwten door het dalen van het suikergehalte na het plukken (dus) minder smakelijk worden.

Verse, gedopte erwten kunnen ook worden ingevroren. Drie minuten blancheren (dus water aan de kook brengen en de erwten er drie minuten in laten), onder koud water afspoelen om doorgaren te voorkomen, uit laten lekken en dan in bakjes of zakjes snel invriezen.

Inmaken (wecken) kan ook: de erwten in potten doen, kokend water erover, afsluiten en dan twee uur in de ketel op honderd graden – dat is dus kokend water.

Voedingswaarde

De voedingswaarde verschilt natuurlijk enigszins per variëteit. We nemen hier 100 gram rauwe groene erwt:

calorieën81 kcal
water78,86 gr
eiwitten (proteïne)5,42 gr
vet (lipiden)0,4 gr
koolhydraten14,45 gr
voedingsvezel5,7 gr
suikers5,67 gr
disacharidendie, als ze er zijn, vormen een onderdeel van de koolhydraten
mineralennatrium 5 mg; kalium 244 mg; calcium 25 mg; magnesium 33 mg; fosfor 108 mg; ijzer 1,47 mg; koper 176 µg; zink 1,24 mg, mangaan – µg; selenium 1,8 µg
Vitaminen: 
Retinol (A)0 maar wel 449 µg bètacaroteen en 21 µg alfacaroteen
thiamine (B1)266 µg
riboflavine (B2)132 µg
niacine (B3)2,09 mg
pantotheenzuur (B5)– µg
vitamine B6169 µg
folaten (totaal – B11/ B9)65 µg
foliumzuur0
cobolamines (B12)0
ascorbinezuur (C)40 mg
Vitamine D0
vitamine E (alfa-tocopherol)0 mg
Vitamin K (phylloquinone)24,8 µg
Aminozuren
Lipiden: 
Verzadigde vetten71 mg
Enkelvoudig onverzadigd35 mg
Meervoudig onverzadigd187 mg
Cholesterol0
Plantensterol
Flavonoïden:
Choline28,4 mg
Luteïne en Zeaxanthine2,477 mg
Nul is ook een waarde. Wat onbekend is, is niet ingevuld.

Teelt

Oude wijsheden die we aantroffen in de boeken: “Plant me diep en mest me niet, dan was ik zonder verdriet” en “Men zaait de erwt op Sint-Ambrosius (7 december) Dan dragen ze honderdvoudige vrucht.”

Vilmorin schrijft dat de erwten in de moestuin langs stokken klimmen, in de landbouw kost dat te veel werk en moeite en worden ze afgemaaid of geknepen na de vierde (blad-)knoop. Dan vertakt de plant, maar wordt ook de resterende stam steviger. Dat was rond 1885. Tegenwoordig hebben ze kortstro in de akkers.

ZaaienMedio maart tot midden april, als de vorst uit de grond is. En daarna.
Knoop [22] raadt aan vroeg te zaaien, als de vorst uit de grond is, en dan maand na maand, doch niet later dan half juni, “want van het later gezaai komt niets of weinig.”

Koud en nat zaad gaat rotten. Jonge net gekiemde planten tolereren -2 graden. Sommige meer wintervaste variëteiten tolereren -10 onder een deklaag van sneeuw. Die kan je wellicht al in december leggen.

Leg ze in een geultje van 2-5 cm diep (in zand wordt het al snel 5 cm), 4 cm uit elkaar in de rij. Je kunt aan beide zijden van het klimrek (zie hieronder: steun) een regel peultjes zaaien. Dat zal 10-15 cm van elkaar zijn. Neem echter tussen twee klimrekken een meter ruimte. Zeker als je nog wat anders hoogs ernaast zaait, als bonen of kapucijners. Dan bestaat namelijk snel de kans op “oversteken” en wordt het een warboel.
SteunAfhankelijk van “stro” – langstro heeft een klimrek nodig, halfstro ook iets. Wij hebben alleen maar langstro erwten.
Zorg voor een klimrek van minstens 150 cm hoog. Twee meter is beter voor langstro.
Klimrek: vlechtwerk van touw, tussen stokken. Mazen van 15 a 20 cm in het vierkant. Of betonijzer. Of kippengaas, rijshout (takken), enfin, verzint u maar wat.
UitplantenNiet van toepassing, tenzij je binnen in potjes hebt voorgezaaid. Onze ervaring is dat het niet veel uitmaakt. Uitgeplante erwten en ter plekke in de koude grond gezaaide erwten zijn ongeveer gelijk oogstbaar.
OogstAfhankelijk van het weer, maar juni of begin juli.

Water

Alleen als de bloei samenvalt met een droogteperiode. Wat van bloei tot peul gaat heel snel en bij voldoende vocht krijg je een voldoende peul. As simple as that

Bemesting

De planten leggen stikstof vast. Dat is te zien aan de witte bolletjes aan de wortels. Doch wat de plant kan vastleggen is begrensd. Door ietwat stikstofrijke mest (N) aan de grond toe te voegen, is de oogst rijker. Is een oude wijsheid.
Bij ons groeien de erwten (peulen en kapucijners) daar waar het vorige seizoen knolgewassen (aardappelen, yacon e.d.) stonden (zie ons rotatieplan). Een beetje compost dun verspreid voldoet. Strooi wat grasmaaisel als mulch tussen te planten en tussen de rijen. Anderen zeggen: strooi nog wat patentkali op lichte gronden (30 gr/m2). 
Wij doen vaak niets, zelfs geen compost.

.

Bodem & Standplaats

Licht is belangrijk; halfschaduw wordt goed doorstaan. Plaats de rijen in noord-zuidrichting. Sommigen prefereren een soort halve cirkel van oost naar west, op het zuiden gericht. Mag ook.

Rassen

We beperken ons hier tot de doperwt. Peultjes en kapucijners bespreken we apart.
De krombek wordt voor het eerst in 1745 vermeld en is heel lang veel geteeld wegens de grote vruchtbaarheid.[1] Ze is nog steeds verkrijgbaar als Mechelse Krombek (tot 150 cm)
Vera, kwam rond het jaar 1000 uit Kazachstan
Kelvedon Wonder, stond in 1904 al in de catalogus van Vimorin en is er nog steeds (tot 75 cm)
Telephone, Engels, 1878
Non Plus Ultra, 1845

Hechranken

Zaadteelt

Erwten zijn vooral zelfbestuivers. Kruisbestuiving komt amper voor. Dat wil zeggen dat peultjes in de buurt van kapucijners niet snel zullen kruisen. Hoewel insecten natuurlijk wel de bloemen bezoeken. Omdat erwten zo op elkaar lijken, is kruisbestuiving moeilijk te herkennen. Commerciële kwekers houden 20 meter afstand. Als moestuinier zet je, voor de zekerheid, de peulen zo ver mogelijk van andere erwten. (Bij ons is dat 2½ meter…..) Eens peultjes (of andere erwten) gezaaid kan je voortaan zelf zaad winnen. Laat enkele peulen de hele rit hangen, tot ze ergens in de zomer aan de verdroogde plant hangen. Doppen en de erwten bewaren. Zaad is, mits koel bewaard, minstens 5 jaar bruikbaar. 

Ziekten en belagers

Aardrupsen en bladluizen kunnen een probleem vormen, respectievelijk jonge scheuten afsnijden en ziekten verspreiden, hoewel de laatste meestal de peulen niet aantastenEchte meeldauw kan optreden bij warm weer en zowel de bladeren als de peulen aantasten
Wortelrot (fusarium) zijn veel voorkomende ziekten die wortels en planten kunnen doen verwelken en afsterven. Er zijn resistente rassen.

Vogels. In 2007 is voor het eerst een complete oogst kapucijners (grauwe erwten) weggegeten. En enkele keren daarna ook. In 2021 werden de peultjes, die waren blijven hangen voor zaad, vrijwel allemaal opgegeten.

Insecten – erwtenkever, erwtenpeulboorder – willen wel eens gaatjes in de peul boren om eitjes te leggen of larven te voeren. Let erop bij het plukken. Het is duidelijk zichtbaar.

Muizen. Het wil nogal eens voorkomen dat muizen de erwten opgraven. Bij ons is dat vooral voorgekomen met voorgezaaide erwten in potjes in de koude bak. Muizen graven ze gewoon eruit op. Dus zolang er nog geen zaailing zijn kop boven de grond heeft uitgestoken, kan afdekken helpen.

Literatuur: [1] Van Kapucijner tot Dopwerwt, Herman Vanddommele, 1991, [2] Mittelalter-Lexicon, [3] Report of the Commissioner of Patents for the year 1859 – Agriculture, pag 317, [4] Edible Heirlooms, Bill Thornes, [5] Cosmographia, Sebastian Münster, 1544, [6] Wikipedia NL, EN, DE, 2021, [7] Neue Zürcher Zeitung, 28 mei 1972, [8] Report of  the Commissioner of Patents – Agriculture, 3 januari 1860, [9] Domestication of Plants in the Old World: The Origin and Spread of Domesticated Plants in Southwest Asia, Europe, and the Mediterranean Basin, [10] Edible-Pod Pea Production in California, Mark Gastell, UCLA, [11] Hand book of legumes of world economic importance, J.A. Duke, Plenum Press, 1981, [12] Pisum sativum L., F.J. Muehlbauer and Abebe Tullu, Purdue University, Center for New Crops & Plant Products, 1997, [13] Field Pea, E.T. Gritton in: Hybridization of Crop Plants, W.R. Fehr and H.H. Hadley (eds.), 1980, [14] A Brief Review on the Early Distribution of Pea (Pisum sativum L.) in Europe, Marija Ljuština · Aleksandar Mikić, 2010, [15] Doperwt, peul en kapucijner, Sprenger Instituut, 1984, [16] G. van Hasselt’s Arnhemsche Oudheden, J.H. Moeleman junior, 1803, [17] De Kruidtuin, Systematische Lijst van Planten, Dr. H. van Hall, 1871, [18] Groot Warmoezeniers Handboek, Uilkens, [19] Legumes in antiquity: a micromorphological investigation of seeds of the vicieae, Elizabeth Ann Butler, Institute of Archaeology, University of London, 1990, [20] Merit Hondelink, [21] Les plantens potagères, Vilmorin-Andrieux, 1883, [22] Beschrijving van de Moes- en Keuken-Tuin, Johann Hermann Knoop, (1769) ; [23] Lexikon der Alten Gemüsesorten; [24] Handboek Ecologisch Tuinieren, Velt; [25] The Oxford Companion to Food; [26]