Als we aan groen erfgoed denken, dan is dat bijna automatisch aan bijzondere natuurterreinen die we willen behouden. Maar we moeten het groen in en om de steden niet vergeten. Dat kunnen plantsoenen, perken en parken zijn, maar ook volkstuinen. Onlangs verscheen het wel zeer interessante boek ‘Groen erfgoed in de stad’.
Leestijd: 11 minuten
Inhoudsopgave
Zoals je van een boek van het nai010 mag verwachten kent het een fraaie grafische opmaak. Het is een bundeling van artikelen van diverse deskundige auteurs. Soms zijn het betrekkelijk korte stukken, soms langere diepgravende beschouwingen en soms interviews.


Wij, jullie, wij allemaal zijn op een of andere manier bezig met voedsel en dan met namen eetbare gewassen en bij voorkeur van eigen teelt. In dit boek gaat het ook daarover, maar ook over stadsbossen, lanen en parken. Groen als levensader van de stad. Door een ader stroomt rood bloed, het voedt alle delen van het lichaam. Wij, De Tuinen van MergenMetz, hebben onlangs gekozen voor ‘de rode draad is groen’ als onze nieuwe slogan. (Dat is nog lang niet overal zichtbaar. Dat komt.)
Het boek is in zes thema’s ingedeeld: wonen, eten, ontmoeten, zorgen, reizen en leren. Tuindorp is een oud begrip, een wijk met veel groen. Eten? Dan hebben we het over volkstuinen en meer. In een park ontmoeten we elkaar, en zorg is een bijzonder aspect. Denk aan begraafplaatsen en plekken die rust geven. Bij reizen maak je niet alleen kennis met bermen, maar ook de invloeden van landschapsinrichting. Tenslotte leren: de hortus is om te leren, maar het ‘beheer van groen erfgoed’ is ook onderdeel van de MBO opleiding.
‘Groen erfgoed in de stad’ is een verrassend rijk en aangenaam boek dat je meeneemt naar allerlei vormen van groen erfgoed, af en toe ook buiten de steden. En omdat ook de historie van de diverse aspecten aan de orde komt, krijgt een berm, volkstuin of begraafplaats een heel andere, meer waardevolle betekenis.
| Titel | Groen Erfgoed in de Stad |
| Auteur | Diverse, redactie Natascha Lensvelt |
| Uitgever | nai010 uitgevers |
| ISBN | 978 94 6208 9402 |
| Verschenen | 20 november 2025 |
| Prijs | € 34,95 |
| Verkrijgbaar bij | Koop het bij een boekhandel van steen en cement. Maar als je online wenst te winkelen, raden we deze webwinkel aan. |
Ons erf, De Tuinen van MergenMetz, grenst aan het terrein van Wolfhezer Heide van Natuurmonumenten. Dat is een cultuur- en natuurhistorisch zeer waardevol erfgoed. Groen, maar niet stedelijk.
Tien kilometer oostwaarts ligt Arnhem. Daar dringt de Veluwe door in de stad. Het Park Zypendaal (bos) gaat over in Park Sonsbeek dat als de punt van een gelijkbenige driehoek tot het centrum van de stad reikt. En om het centrum liggen de Jansbinnen- en Jansbuitensingel, brede banen met middenin een fiks plantsoen en fonteinen.


In het centrum van de stad lag een braakliggend terrein, dat de naam Bartokpark kreeg. Buro Harro bracht daar zand en heide van de Veluwe: “Als de mensen niet de natuur in gaan, brengen we de natuur in de stad,” sprak Harro de Jong. Korte tijd later werd dit verrijkt met een reusachtig aardvarken.
In diverse artikelen in het boek wordt Arnhem genoemd, naast steden als Amsterdam, Groningen, Den Haag en meer.
We gaan in grote stappen door dit prachtige boek over al het groen erfgoed. En waar het over voedsel gaat, nemen we vanzelfsprekend iets kleinere stappen:
Immaterieel erfgoed

Volkstuinen zijn tuinen van en voor ‘het volk’. En vanzelfsprekend komt dit in het onderdeel ‘Eten’ aan de orde. We lezen in de bijdrage van Lenneke Berkhout hoe de volkstuin de status van ‘immaterieel erfgoed’ verkreeg. In Alkmaar begint de victorie luidt de uitdrukking, dat geldt ook voor de volkstuin. We zien overigens op de website van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland, dat het ‘Amateurtuinen in Alkmaar’ heet en ‘Volkstuinieren in Rotterdam’ is later ingeschreven en met een eigen vermelding. Maar goed, we beoordelen nu niet de systematiek van het kenniscentrum.
Stadslandbouw was een schier magisch begrip waar begin deze eeuw iedereen achteraan leek te hollen. Maar het lijkt inmiddels te zijn weggezakt. Toch durven sommigen het begrip nog te gebruiken. In 2016 plaatsten we ‘Vergeet stadslandbouw. Ga weer moestuinieren.’ Hans van Eekelen schreef in zijn nieuwsbrief: “Houd toch eens op over stadslandbouw als je moestuinieren in de stad bedoelt”. Hij noemt het een historische vergissing hobbyisme (amateurisme in Alkmaar) met professionaliteit te vereenzelvigen. Een moestuinier is geen landbouwer.
Volkstuinen en arbeiderstuinen
Anne Wolff neemt ons mee in de geschiedenis van de volkstuin. In de eerste alinea staat dan ook al klip en klaar dan het geen landbouw is. Zij citeert uit een voordracht van mr. Ferd. W.C.H. Oldewelt, een van de oprichters van “Het Comité van Volkstuinen” in Amsterdam, en wij citeren dat: “Het moeten tuinen zijn, geen akkers, geen lappen landbouwland! (…) De huidige Volkstuinen zijn niet meer alleen voor den werkman bestemd maar ook voor de geheele middenklasse der bevolking.”
Recreatie en groenten
Volks- en arbeiderstuinen zijn in feite de tegenhanger van de opkomende industrialisatie. En in die jaren was er een onderscheid: je had de arbeiderstuin en de volkstuin. In de arbeiderstuin teelden de arbeiders, de minst bedeelden in de maatschappij, hun eigen groenten. De volkstuin was er voor de recreatie van de iets meer bedeelde stadsbewoner, die bij zijn huis geen tuin had. De volkstuin was er, zoals ook nu nog veel volkstuincomplexen, voor de recreatie.

Arbeiderstuinen werden buiten de stad, in ‘ruraal gebied’ uitgegeven. Het is de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen die zich vooral inzet voor de arbeiderstuinen, lezen we. Men zag het ook als een middel van armoedebestrijding en tegen het opkomende socialisme.
Het is niet iets typisch Nederlands, maar wat misschien wel Nederlands is, is dat volkstuincomplexen al sinds de jaren dertig van de vorige eeuw opgenomen worden in stedelijke uitbreidingsplannen.

Meer bloemen
We lezen dat in de volkstuinen voor de middenklasse allengs minder bloemen en meer groenten werden geteeld. Dat kan niet. Dat stuitte de bestuurders, die natuurlijk het beste met het volk voorhadden, tegen de borst en dus werden regels opgesteld, waarin onder andere het aandeel bloemen in de tuin werd vastgelegd. Het moest namelijk wel gezellig blijven, “waar de geheele familie buiten in haar tuin genoegens en gezondheid vindt.” Waar in Groningen buiten de stad Tuinwijck met honderd arbeiderstuinen ontstond, werd Leonard Springer in 1916 gevraagd om luxe volkstuinen in het stadspark te ontwerpen: hij noemde het parktuintjes. Het werd echter nooit uitgevoerd.

Meer aardappelen
Vanzelfsprekend spelen volkstuinen een belangrijke rol in ten tijde van de wereldoorlogen maar ook in het interbellum. En ook toen werden er eisen aan de tuinier gesteld. Zo moest de helft met aardappelen worden beplant, lezen we. En na 1945 begon de ommezwaai, of zwaai terug naar de volkstuin als plek voor recreatie van de stedeling.
“De stad was anoniem en op het volkstuincomplex ontstond een gemeenschapsband tussen gezinnen die samen het complex tot bloei brengen.” En zo kwam in Rotterdam een volkstuincomplex aan het Zuiderpark: de Zuiderparkgordel. (We kunnen niet nalaten de ontwerptekening tegen de realiteit van de satellietfoto te houden.)
Voedselbos
Hierna beschrijft Steffen Nijhuis ‘de stad als eetbaar landschap’, waarin hij stadslandbouw benoemt en daarin ook de stadsboerderijen betrekt die ongeveer sinds de middeleeuwen om de steden ontstonden, om de stad van voedsel te voorzien. Mag je dat stedelijke voedselproductie noemen of is het voedselproductie voor de stad? Het is een korte, interessante bijdrage, waarin hij ook het fenomeen voedselbos betrekt. Is dat nu ook al groen erfgoed? Hij noemt expliciet het voedselbos in de Utrechtse wijk Rijnvliet. Als stadslandbouw het nieuwerwetse woord is voor moestuinieren, is voedselbos in verreweg de meeste gevallen gewoon een boomgaard. Vinden wij. En daar is verder niets mis mee. Het enige is dat het jaren en jaren duurt voor het echt productief is.
Gezien worden

Het stadspark heeft onmiskenbaar een ontmoetingsfunctie. Dat was vroeger al zo en nu nog steeds. En soms worden er feesten gehouden of concerten in een muziekkoepel gegeven. Daar gaat Gerrit van Oosterom in zijn bijdrage ‘Zien en Gezien worden’ niet op in, wel op het stadspark als groen erfgoed, een openbare verblijfsplek met een groen decor. Wandelen en paraderen. In Amsterdam kwam het Vondelpark en tien jaar later werd in 1874 een stadspark van tien hectare geopend “voor de zedelijke verbetering en tot nut van de fabrieksarbeiders”. Dit Volkspark was groter dan de stad en lag (toen) buiten Enschede. Het was een nalatenschap van de textielbaron Van Heek. Waar het Vondelpark voor iedereen was bedoeld, doch waar voornamelijk de gegoede burgerij was ingenomen, was het Volkspark er duidelijk voor jan en alleman; sport, cultuur en natuurbeleving.

Zo zijn er meer parken in Nederland. Het gebruik wordt intensiever, schrijft Van Oosterom. Niet alleen neemt het aantal inwoners toe, maar er zijn andere fenomenen als popconcerten bij gekomen. Hij stelt dat er keuzes moeten worden gemaakt omdat de grenzen van het gebruik zijn bereikt. “Sinds de jaren negentig wordt er daarom overal hard gewerkt aan de renovatie van onze historische stadsparken.”
Begraafplaats

Ook een begraafplaats is groen erfgoed. “Binnen de strakke muren van de dichtbevolkte stad behoorden kerkhoven tot de weinige onbebouwde plekken,” lezen we. De hoven rond de kerken waren groen. Tot onze aangename verrassing treffen we een ontwerptekening van de stadsbegraafplaats Leeuwarden aan van de hand vanLucas Roodbaard, op Samuel Voorhoeve na, ’s lands meest onbekende landschapsarchitect. De begraafplaats is in 1833 in gebruik genomen – “licht gewijzigd” staat er in het boek bij.
De niervormige velden zijn er één voor elke klasse van de bevolking, lezen we.
Het probleem van begraafplaatsen is dat ze in de stad omringd zijn door bebouwing en niet kunnen uitbreiden. We lezen dat ze in sommige plaatsen deel uit maken van een groen lint door of om de plaats en dan kunnen ze telkens een stuk park innemen. Gemeenten worstelen ermee. We lezen dat in Duitsland en Zweden begraafplaatsen zijn ‘verparkt’: er kan worden gewandeld, gepicknickt enzovoorts. Met respect voor de doden.
Dat groen goed doet, goed is voor de (mentale) gezondheid, is waarschijnlijk genoegzaam bekend. Maar we hebben nooit stilgestaan bij ziekenhuistuinen of tuinen van psychiatrische inrichtingen. Zorg in het groen. Lotte Dijkstra neemt ons mee op reis. En dan heb je het al snel over de Romeinse heirbanen: aan weerszijden beplant met bomen. En die werden onderhouden. In de Middeleeuwen ontstonden de Hanzewegen en Hessenwegen. Ze waren los zand en aan beide zijden bomen. Ze liepen door tot in en door de steden. In de stad kwamen ze uit op een marktplaats, die in die tijd was voorzien van bomen met schaduwrijk bladerdak. Dijkstra volgt de Hout-wech in Haarlem. In dit artikel gaat ze (ook) in op de rol van de stadsboom. Al vroeg besloot het stadsbestuur dat de straten van bomen moesten worden voorzien om aan het verlangen naar “soete lucht, cieraet en plaisantie” te voldoen. Balthasar Florisz. van Berckenrode maakte een gravure, langs elke weg, langs elke gracht staan vele bomen. In 1625.

Hortus
Aan het eind van het boek rest nog een interessant hoofdstuk over de hortus. Van een medische tuin – hortus medicus – naar een hortus botanicus. Er zijn in Nederland diverse hortussen. Die van Leiden is erg bekend, omdat die een van de oudste is, en opgezet door Carolus Clusius. Die wilde er alle planten van de wereld tonen. Dit verhaal overlapt ook voor een deel(tje) met de levensloop van Von Siebold, die in dit mooie boek is beschreven. In de verhalen op onze website komen diverse personen voor die ook in dit hoofdstuk zijn genoemd – dat is vanzelfsprekend, want het zijn de botanici die de drijvende kracht vormen.
Groen erfgoed is overal.
