Lobelius, de man en het spel

Leestijd: 7 minuten

Inhoudsopgave

Erfgoed als een spel. Onlangs verscheen het historisch kaartspel Lobelius, gebaseerd op zijn Kruydtboeck uit 1581. Lobelius behoorde met Dodonaeus en Clusius tot de grote drie van de botanici in die tijd. We bespreken het spel en de man De l’Obel.

Lobelius is de gelatiniseerde naam van Matthias de Lobel of De l’Obel. De Grote Drie kennen we in diverse genres (literatuur: Hermans, Mulisch en Reve, cabaret: Hermans, Kan en Sonneveld, enzovoorts) en De Lobel vormde met Rembert Dodoens (Dodonaeus) en Charles de l’Écluse (Clusius) in zijn tijd een Botanische Grote Drie – ook wel: de vaders van de botanie. De Lobel is echter de minst bekende van hen. Wellicht dat dit spel daar verandering in brengt.

Het is een vlot kaartspel, waarbij de kaarten zijn voorzien van de afbeeldingen die zo het boek zijn gehaald. Alleen dat is al een groot plezier. Zo staat er over de kruisbes dat ze in de tuinen van de noordelijke landen, waaronder Engeland en Nederland, groeien in plaats van de wijngaard.

Het is de bedoeling dat je met de kaarten ’tuintjes’ aanlegt – dat heeft wel iets van kwartetten. En er zijn punten per kaart te behalen. Een tuintje is ‘af’ als je er vier planten in hebt. Zoals het een goed spel betaamt, zijn er ook actiekaarten: waarmee je je medespeler kunt plagen, maar die ook ‘dodelijk’ voor jezelf kunnen zijn.
Het is een uniek en leuk spel dat niet eeuwig duurt: in een minuut of twintig is het gespeeld.

Alleen al om de kaarten in je hand te kunnen houden is dit al een leuk spel voor de liefhebbers van planten en kruiden. Maar ook leuk om snel te spelen en zo steek je ook nog wat op. De afbeeldingen zijn 1:1 overgenomen uit de gedigitaliseerde oude druk van Museum Plantin-Moretus, die ook het origineel heeft. En het spel is ontwikkeld in samenwerking met de medewerkers van Plantentuin Meise.

TitelLobelius – Het historisch kaartspel
AuteurBram De Ridder
UitgeverSunken Tower
ISBN541 99 8041 5936
Verschenen1 mei 2026
Prijs€ 25,95
Verkrijgbaar bijKoop het bij een boekhandel van steen en cement. Maar als je online wenst te winkelen, doe het dan bij ons. Omdat we het spel bijzonder vinden en omdat het helemaal bij MergenMetz past, hebben we het in ons assortiment opgenomen.

Over Matthias de l’Obel

Lobelia, menig tuinliefhebber kent deze plant wel. Hij is vernoemd naar Lobelius, oftewel Matthias de Lobel of De l’Obel. Geboren in 1538 in Rijssel (thans het Franse Lille) en overleden op 3 maart 1616 in Londen.

De l’Obel was arts en botanicus. Deze combinatie was niet vreemd, daar alle artsen toentertijd een behoorlijke plantenkennis moesten hebben – die noodzaak verdween met de opkomst van de farmaceutische industrie in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Volgens de norm van zijn geboortestreek moet zijn familienaam De Lobel zijn, iets dat hij zelf in het eerste deel van zijn leven toepaste. Maar in zijn latere werk noemde hij zich De l’Obel omdat hij van mening was dat zijn naam van Franse oorsprong was.

Geneeskunde

Matthias’ vader was jurist en het is bekend is dat Matthias al op zestienjarige leeftijd buitengewone interesse in platen en geneeskunde toonde. Hij werd op 22 mei 1565, op 27-jarige leeftijd ingeschreven aan de universiteit van Montpellier. Wat hij in de tussentijd deed is onduidelijk – vermoedelijk ook door Duitsland en Italië gereisd. In Montpellier stond Guillaume Rondelet op het hoogtepunt van zijn roem en trok veel Europese studenten. (Eerder had Clusius aan Montpellier gestudeerd.) De Lobel raakte bevriend met studiegenoot Pierre Pena. En Rondelet was kennelijk al snel onder de indruk van de kwaliteiten van De Lobel, want bij zijn overlijden op 20 juli 1566 liet hij zijn botanische manuscripten na aan hem. Hoewel in de archieven van de universiteit van Montpellier niet terug te vinden is dat Mathias de l’Obel de graad van doctor in de geneeskunde heeft behaald, staat onomstotelijk vast dat hij in zijn verdere leven arts was.

Tachtigjarige oorlog

Zo trok hij met Pierre Pena door Europa en richtten ze samen een herbarium in: de planten gegroepeerd op uiterlijke verschijning. In de beschrijving van de gewassen verwezen ze naar onder andere Dodoens, Fuchs en Matthioli. De Lobel en Pena gingen naar Londen. Het was in de Lage Landen, en vooral het deel waar de wieg van De Lobel stond, nogal onrustig. De Tachtigjarige Oorlog was net begonnen, al wist men toen nog niet dat deze zo lang zou duren. In 1571 verscheen hun Stirpium Adversaria nova – vertaald iets als: verrassende nieuwe planten – dus in Londen. (Voor- en achterbladen zijn in Engeland gedrukt, de inhoud bij Plantijn in Antwerpen.)

Daarin hanteerde hij een classificatie voor planten, die in zijn volgende werken onveranderd werd doorgevoerd.
Direct na het verschijnen van het boek, verruilde  De Lobel Londen voor Antwerpen, waar hij zijn tijd weer aan de geneeskunde besteedde. En aan botanie. Nadien twijfelden wetenschappers aan de bijdrage van Pena aan het boek; De Lobel heeft het echter altijd als een werk van hen tweeën, de vrienden, genoemd. (Feit is wel dat Pena een weinig beduidende wetenschapper is gebleven, men weet niet eens zijn overlijdensdatum.)

In 1576 verscheen het tweede grote werk van Mathias de l’Obel, de Stirpium Observationes.  De Observationes zijn een  aanvulling op de Adversaria: cultuurgewassen, de tuinplanten,  nemen daarin een belangrijke plaats in. De twee boeken samengevoegd gingen vervolgens als Plantarum seu Stirpium Historia (ook wel korter: Plantarium Historia) verder en die werden in het Nederlands vertaald en verscheen in 1581 als Kruydtboeck (voluit: Kruydtboeck oft beschrÿuinghe van allerleye ghewassen, kruyderen, hesteren ende gheboomten). Met dezelfde afbeeldingen.

Willem van Oranje

De l’Obel droeg Kruydtboeck op aan Willem van Oranje, die hem tot zijn lijfarts benoemde. De l’Obel verbleef van 1581 tot 14 juli 1584 in Delft, toen Willem van Oranje werd vermoord. En daarna trok hij naar Antwerpen, waar hij een paar jaar weer gewoon arts was. Na de Val van Antwerpen (1585) werd het leven minder prettig en hij verhuisde in 1592 weer naar Londen en werd lijfarts  en hofbotanicus van koning Jacobus I, die in 1603 de Engelse troon besteeg.

In 1596 trouwde L’Obel (hij was toen 58 jaar oud) in Lille met Isabeau Laigniez (1576-1642). Van hun kinderen trouwde één dochter, Mary l’Obel, met Louis Le Myre (Ludovicus Myreus), die met hem samenwerkte, en de andere, Anne l’Obel, trouwde met John Wolfgang Rumler. Beide schoonzonen, Le Myre en Rumler, waren apothekers met een goede reputatie in de Londense samenleving.

John Gerard Plagiator

De l’Obel leerde veel Engelse al dan niet vooraanstaande plantenliefhebbers kennen, niet in de laatste plaats de beroemde Engelse botanicus John Gerard, geboren in 1545, die een geneeskrachtige plantentuin bezat in Holborn; de inventarisatie door de l’Obel in 1596 bracht het aantal planten op 1033.

De relatie met John Gerard liep echter stuk. Diens Herbal (1597) was een vertaling van Rembert Dodoens’ Pemptades, maar bevatte veel fouten, omdat Gerard het Latijn onvoldoende beheerste. Dit werd geconstateerd door apotheker James Garret, die bovendien teksten van De L’Obel zelf herkende, zonder dat Gerard hem als bron vermeldde.
De drukker vroeg De l’Obel het slecht vertaalde Latijn te corrigeren, doch De l’Obel vond nog meer fouten in Gerard’s werk. Die ook te laten aanpassen ging Gerard te ver. Het was goed genoeg, zei hij. De l’Obel betichtte Gerard openlijk van plagiaat.

Van Franse oorsprong

In zijn werk en leven sprak De l’Obel heldere, soms zeer heldere taal: hij kon in scherpe dan wel barse bewoordingen zijn mening geven, ook over collega-botanici. Misschien voelde hij zich miskend en was daardoor wat verbitterd?

Op zijn werken is een houtsnede van een jonge vrouw die tussen twee bomen staat en beide omarmt. Lang dacht men dat De Lobel daarmee de plantkunde of tuinbouw wild uitbeelden, maar het bleek uiteindelijk de afbeelding van zijn naam: de bomen zijn witte populieren, in het oud-Frans: obel. Hiermee maakte Matthias de L’Obel duidelijk dat zijn naam van Franse oorsprong was.

Plaats een reactie