Foye is de inheemse naam voor Drimys winteri, een boom of heester die niet alleen bijzonder mooi is, maar ook gebruikt wordt als geneesmiddel tegen diverse kwalen en als specerij in de keuken. Het heeft een bijzondere geschiedenis en is een aanwinst voor de tuin.
Leestijd: 9 minuten
Inhoudsopgave
Er is geen officiële Nederlandse naam voor deze plant. We geven de voorkeur aan de inheemse naam, Foye, maar okay, Chileense peperboom kan ook . Of canelo. Maar de ‘winter’ in ‘winteri’ heeft niets met het koude seizoen te maken, maar wel met de naam van de ontdekker.
In Chili

Drimys winteri komt van nature voor in het zuiden van Chili – van het eiland Chiloé tot aan Cabo de Hornos – en Argentinië. Zuidelijk van de 42ste breedtegraad. Het is een duidelijk aanwezige boom in de Chileense bossen langs de kust. De naam canelo is door Jesuit Alonso de Ovalle in zijn boek Histórica relación del Reyno de Chile (1646) aan de boom gegeven, vanwege de overeenkomst met kaneel. Foye of voigue is de naam die de inheemse bewoners aan de boom gaven.
De foye is de belangrijkste heilige boom van de Mapuche, het Araucaanse volk, symbool van welwillendheid, vrede en gerechtigheid. (Auracanië is de naam die de Spaanse overheersers gaven aan het midden en zuidelijke gebied van Chili, waar de Mapuche wonen.) Hij wordt door in allerlei terreinen en gebieden die bestemd zijn voor sociale en religieuze bijeenkomsten, zoals genezings- maar ook begrafenisrituelen, geplant.
De priesters werden foyeweye genoemd, “dienaar van de foye”. De oude functionarissen die in de inheemse traditie worden genoemd, namen de naam van deze plant op in hun eigen naam: ze heetten voiguefoes – eigenaars en dienaren van de voigue/foye.
De schors met de versterkende, stimulerende en verkwikkende eigenschappen, vormt het bekendste en meest gebruikte wondermiddel van de machi, zoals de traditionele genezeres en geestelijk leider van de Mapuche heet. (Doorgaans zijn dat vrouwen.) Volgens haar is er geen pijn of ziekte die bestand is tegen de krachtige genezende werking van dit wonderbaarlijke middel.
Geschiedenis
De ‘winteri’ in de naam is afkomstig van John Wynter of Winter. Hij was kapitein aan boord van het schip Elizabeth, dat onderdeel was van de reis om de wereld (1577-1580) van Sir Francis Drake. (Drake voer op de Golden Hind, dat voorheen Pelican heette.) Op het moment dat de Straat van Magellaan werd bereikt, was de expeditie uitgedund van vijf tot twee schepen: die van Wynter en die van Drake.


De Elizabeth was het eerste schip dat van west naar oost door de Straat van Magellaan voer. (In zestien dagen in 1578.) Tegen de tijd dat ze de Straat bereikten, leden veel bemanningsleden aan ernstige scheurbuik. Ze gingen in de Straat van Magellaan voor anker en kapitein John Wynter ging aan land. Hij leerde van de inheemse bevolking een drank maken van gekookte schors van een bepaalde boom, vermengd met wijn. Hij nam een partij schors mee aan boord – vandaar de Engelse naam Winter’s Bark – en maakte er een thee van. De symptomen van scheurbuik verdwenen. Voor herstel van de bemanning bleven ze drie weken voor anker. De schors bevat veel vitamine C. (Maar dat kende men toentertijd nog niet.)
Na de passage van de Straat van Magellaan verloren Drake en Winter elkaar uit het oog en Winter voer, met de schors, terug naar Engeland. (Dat was dus op zich een gunstige gebeurtenis.) Drake voer door op zijn reis rond de wereld en daardoor werd de naam van Wynter aan de schors verbonden.
Later gebruikte ook James Cook het voor de behandeling van scheurbuik tijdens zijn reizen aan het einde van de achttiende eeuw.
In de zeventiende eeuw maakten de Chileense schrijver Francisco Núñez de Pineda y Bascuñán en de Spaanse jezuïet Diego de Rosales, die vele jaren als missionaris in Chili verbleef, melding van het medische gebruik van de plant door de inheemse bevolking. Hun manuscripten werden echter pas aan het einde van het koloniale tijdperk gepubliceerd.
Plant
Nog los van de geschiedenis, de heilzame eigenschappen en het culinaire gebruik: Drimys winteri is ook een heel mooie plant om in de tuin te hebben.

De boom groeit langzaam, houdt niet van droge grond en is groenblijvend. Het blad is van boven mooi glanzend groen, leerachtig en gaafrandig, eivormig en 10 tot maximaal 15 cm lang. De schors is zacht, grijsbruin en sterk geurend.
De bloei heeft iets van schermvorming: een stuk of tien bloemen staan bij elkaar. Het zijn tweeslachtige bloemen van ongeveer 3 cm in diameter. Er vormen zich 1 cm lange, donkerkleurige, blauwzwarte bessen die meerdere zaden bevatten.

De bast van Drimys winteri smaakt naar kaneel (Cinnamomum verum) en zwarte peper (Piper nigrum). Het wordt, al dan niet met gedroogd blad, medicinaal gebruikt. Verse bessen worden in zoetige en hartige gerechten gebruikt. De gedroogde vruchten worden met de bast vermengd en als piment of peper gebruikt: pimienta de canelo, chiloé, Patagonian pepper en andere namen. Het hout is zwaar en wordt voor meubels en muziekinstrumenten gebruikt. Maar ook voor dakbalken daar het strakke, rechte vezels heeft en niet door insecten wordt aangetast.
Soms worden twee variëteiten onderscheiden, één met enigszins solitaire bloemen (var. winteri) en de andere met bloemen in een scherm (var. chilensis). Het onderscheid is discutabel.
In Europa
Clusius
Carolus Clusius was de eerste die in 1582 over deze boom, eigenlijk de bast, (Winteranus Cortex) schreef in zijn Aliquot notae in Garcia aromatum historiam. Hij dicht het toe aan ‘Wilhelmus Winterus’. Dat is fout, dat betreft namelijk admiraal Sir William Wynter, de oom van John Wynter. William was sponsor van Drake’s expeditie en zal er ongetwijfeld voor hebben gezorgd dat zijn neef als kapitein van de Elizabeth werd aangesteld.
Clusius schrijft [vertaald Latijn]: “Hij had geen idee van de eigenschappen ervan: degenen die het op schepen vervoerden, gebruikten het vers, deels gekruid met honing om de wrangheid te verminderen, en deels gedroogd en tot poeder vermalen om kaneel en andere specerijen in gerechten te vervangen. Achteraf begreep ik dat ze met groot succes waren gebruikt tegen maagpijn of scheurbuik, aandoeningen waaraan sommigen van hen tijdens die reis hadden geleden. Het lijkt mij meer op de bast van de aromatische boom die meneer Monardes noemt in zijn geschiedenis Simplicium Medicamentorum, hoewel ik hierin niet die bijzondere geur kon ontdekken die hij aan de bast toeschrijft.” (Nicolas Monardes publiceerde in 1579 “Simplicium Medicamentorum”.)

En Clusius schreef er nog eens enthousiast over in 1605 in zijn bijdrage in Exoticorum libri decem (tien exotische boeken).
In navolging van Clusius werd de bast en boom ook door andere botanici, zoals Louis Feuillée (1725, hij noemde de boom Boigue cinnamomifera), Elisabeth Blackwell (1737) en in 1776 George en Johann Reinhold Forster opgenomen. Blackwell en de Forsters zagen de boom echter aan voor de echte kaneel (zie botanische tekeningen hierna, waarin kaneelpijpje erbij is getekend). De bast stond tot dan toe bekend als Cortex winteranus, het waren de Forsters die de boom de naam Drimys winteri gaven. (Carolus Linnaeus had de plant de geslachtsnaam Winterana gegeven, maar door de Forsters werd dat dus Drimys.)
Dodoens
In het Cruydt-Boeck van Rembert Dodoens (1615, bewerkt door François van Ravelingen), is in het deel ‘Beschrijvinghe vande Drogen, Indiaensche en ander Vreemde cruyden’ hoofdstuk 36 ‘Caneel, Cassia, Cinnamomum, ende ander schossen van Indiaensche boomen’ de schors opgenomen:
“Magellaensch Caneel, van Clusius Winteranus cortex genaemt, uyt de landen bij de Magellaensche Straet gebracht en daerom ook Magellanicus cortex geheete, is het slechtste Caneel van gedaente wat ghelijck, doch meest dicker […] als de ???schorsse: van binnen veel diepe clove oft spleten hebbende als de Lindeschors, somtijts heel vast, dicht ende hardt, niet onlieflick van smaeck, maer de tong seer nijpende ende de keel ontstekende als Peper […] ” En het wordt gedroogd en gepoederd “[…] in stede van oprecht Caneel ende Peper bij de spijsen gedaen.”
Clusius zou de boom Arbor Magellanica noemen, aldus Dodoens aldus Van Ravelingen. Opmerkelijk is dat er ook is geschreven dat de bladeren op die van de laurus lijken. Dan wordt vermoedelijk de veelal als haagplant ingezette Prunus laurocerasus bedoeld, die wij nog steeds (abusievelijk) laurier of laurierkers noemen. En dat kan dan wel kloppen: het blad is ook glanzend en gaafrandig. Maar de prunus is niet eetbaar.





Gedurende de koloniale overheersing werd nauwelijks aandacht besteed aan Drimys winteri. Wat tegenwoordig onder de Spaanse naam canelo wordt verkocht, als een specerij die lijkt op peper en verband houdt met de Mapuche-cultuur, is welbeschouwd een gevolg van die onwetendheid.
Aan het einde van de zeventiende eeuw begonnen de Britse arts William Salmon en de boekhandelaren Thomas Passenger en Ebenezer Tracy onder de naam Balsam de Chili een bijzonder product te verkopen. Tegenwoordig zijn producten te koop als canelo-peper of Chiloé-peper, maar daarin wordt niet altijd de foye gebruikt.
Pas in 1827 verscheen de eerste levende boom in Engeland en zo werd Drimys winteri in cultuur gebracht.
In de tuin
| Hoogte | varieert van struik tot boom, na 10 jaar ca. 4 meter (van nature als struik op Vuurland) |
| Bloei | april-mei |
| Winterhard | tot ca. -10°C wordt goed verdragen, in extreme gevallen kort tot -15°C |
| Groenblijvend | |
| Bodem | goed doorlatend, rijk is aan organisch materiaal. Zure tot neutraal is het meest geschikt. Vochthoudend, zelfs een moeras (vijverrand) is goed. |
| Standplaats | beschut, halfschaduw tot volle schaduw, kan ook zon verdragen mits de bodem voldoende vochtig is. |

Bronnen: [1] Wikipedia (DE/EN) april 2026; [2] The Historical Account of Scurvy Including its Toll on and Impediments to the Implementation of Treatment and in Operation of the Georgian Royal Navy, dr Gerald Stulc, 2021; [3] Botanica Indigena de Chile, Ernesto Wilhelm de Mösbach, 1992; [4] The Southern Hemisphere Garden at Wakehurst Palace, Chris Clennett, Curtis’s Botanical Magazine, Vol. 21, No. 1 (Februari 2004); [5] Oxford Plants 400, plant 188; [6] Drimys winteri: Circulation of Environmental Ignorance in European Written Sources (1578–1776), Matteo Sartori en Julia Prakofjewa, Arcadia nr 15, 2023; [7] International Dendrology Society, Trees and Shrubs Online, R. Cameron, 2025; [8] Pharmacographia, Frierich Auckiger en Daniel Hanbury, 1879; [9] Cornucopia; [10] Sturtevant’s Edible Plants of the World;
