Tegenwoordig kennen we de cavolo nero als palmkool. Je ziet het zelfs bij de groenteboer of speciaalzaak liggen. Maar hoe lang kennen wij al palmkool? Aten onze grootouders het? We hebben een onderzoekje gedaan naar de betekenis van het woord palmkool.
Hoe het begon

In 2004 verscheen in het tijdschrift Vergeten Groenten van het gelijknamige, inmiddels niet meer bestaande genootschap, een artikel over de palmkool die in Toscane cavolo nero heet. Aanleiding daartoe gaf toentertijd Ine van der Maas, wier zus toen in Toscane woonde. Ine zei, toen ik haar vertelde dat ik mij met vergeten groente bezig hield: “Cavolo nero. Dat is zo verrukkelijk. Daar moet je aandacht aan besteden.”
Maar was dat een Nederlandse vergeten groente?
De Groene Hoed, een samenwerkingsverband van telers in midden Noord-Holland, beweerde dat er in de 19e eeuw volop palmkool was geteeld. Op navraag bij Saet & Cruyt wordt door een medewerker min of meer bevestigend gereageerd: “Ik weet zeker dat we het [palmkool] zijn tegengekomen. Maar om het nu snel terug te vinden, moeten we zo’n 6000 kaarten doornemen.” Daar bleef het bij. Maar het was voor de Vergeten Groenten-beweging voldoende om cavolo nero in Nederland als vergeten groente te kwalificeren. Tijdens de daarop volgende European Fine Food Fair in Maastricht, maakte Lindenhoff indruk met enkele kisten palmkool: cavolo nero, geïmporteerd uit Italië.
Wellicht was dit het begin van de populariteit van cavolo nero in onze contreien en werd palmkool daarom ook de Nederlandse naam voor deze telg van Brassica oleracea var. acephala: de ondersoort palmifolia. Kortweg: cavolo nero of nero di Toscane.
Twijfel

In ons boek Groenten staat ook cavolo nero. Jan Velema vroeg zich af of er in het verleden überhaupt cavolo nero in Nederland was geteeld. Maar medewerkers van van Saet & Cruyt hadden dat wel bevestigd. Althans: palmkool. Maar is palmkool dan geen paraplunaam voor diverse hoog groeiende kolen? Bij onze oosterburen kennen ze heel wat oude landrassen kolen die in de naam Palme of Palmkohl hebben: Grunkohl Ostfriesische Palme, Holter Palme, Braunkohl Rote Palme, Lippische Palme, Ostfreeske Groenkohl. Die laatste behoort tot de oudste landrassen van Ostfriesland. De Lippische Palme is een oud landras uit Lippe, toen vorstendom Lippe, thans Bundesland Nordrhein-Westfalen. (En Lippe kennen we van Prins Bernhard en de Sint-Jansui.) En de groente Palmkohl staat ook gewoon in het tweede deel van het beroemde werk ‘Reise in die Aequinoctial-Gegenden des neuen Continents‘ (1820) van Alexander von Humboldt.
Kan het niet zo zijn geweest dat een Nederlandse teler een Ostfriesische palmkool had geteeld? Ostfriesland ligt immers pal tegen Groningen. Dat is niet onaannemelijk daar de palmkool, zoals wij nu de cavolo nero kennen, echt iets van het begin van de 21ste eeuw is.
Kenden we dan helemaal geen palmkool? Jazeker!
We zijn opnieuw in oude boeken en archieven gaan zoeken naar palmkool. En dan blijkt dat we al een paar honderd jaar palmkool kennen. Maar dan hebben we het over de eetbare groeipunt van een palmboom, die lichtjes naar kool smaakt. Dankzij de overzeese gebiedsdelen leerden de Nederlanders dat kennen. Honderd jaar geleden treffen we in tuin- en landbouwbladen een heel enkele keer de kool-palmkool aan: als diervoer of sierplant.
In de archieven
De oudste aanwijzing die we met behulp van Delpher vonden, dateert van (vermoedelijk) 1817. In Boekbeoordelingen van ‘Nieuwe Bijdragen ter Bevordering van het Onderwijs en de Opvoeding … [enzovoorts]’ worden kanttekeningen geplaatst bij het boek ‘Geographische Oefeningen; of leerboek der Aardrijkskunde’. Zo mist de recensent bij de beschrijving van Nieuw-Holland (thans Australië) het vogelbek-dier en palmkool.
In’ Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak’, 1834, nr 5, deel Mengelstukken, wordt kort palmkool aangehaald als smakelijk voedsel. Veelzeggender is de ‘Surinaamsche courant’ van 19 maart 1835. Daarin staat het tweede deel van de verhandeling ‘Natuurkundige bijzonderheden betreffende Curaçao’ en onder de tussenkop ‘Het Plantenrijk’ treffen we een veelheid aan bomen aan (onder andere Oranjeboom, Granaat-appel, Katsoe-appelboom, Kalebasboom) waaronder ook drie palmen: dadelpalm, koolpalm en kokospalm.

Wie vandaag de dag op koolpalm zoekt, vind Cordyline australis, een grove struik die inheems in Nieuw-Zeeland is. Het is niet aannemelijk dat die toen werd bedoeld. Maar welke palm is dan wel die koolpalm?
In de Java-bode van 8 januari 1862, onder de kop ‘Het nut der palmen voor de menschelijke Huishouding’, lezen we: “Maar bij brood behoort groente, en deze leveren de palmen voortreffelijk en in soorten. Men gebruikt daarvoor de jonge bladeren van de Euterpe, Maximiliana, Cususperma, Oreodaxa, Cocos oleracea, Lodicea, Arenga (die den zoogenaamden palmkool levert), Areca en de jonge spruiten van Borassus.”
Arenga is een Aziatisch palmengeslacht. We vermoeden dat hier de arengpalm (Arenga pinnata, synoniem: Arenga saccharifera) is bedoeld.
Op 26 oktober 1882 staat in het ‘Surinaamsche courant en Gouvernements advertentie blad’ een verslag van een tocht naar Nickerie. Dat is een district dat ten westen van Paramaribo ligt, aan de grens met Guyana. Een tussenkop luidt ‘Flora der Boven Coppename’, waaronder men allerlei gewassen opsomt, onder andere ‘de Oenocarpus bacaba en de Maximiliana regia, twee palmsoorten, die den inlanders een palmkool, de zoogenaamde kabbes, leveren.’ (Deze twee genoemde palmen zijn dus inheems Zuid-Amerikaans.)
Hier komt de palmkool ook van de Maximiliana regia, die nu de Latijnse naam Attalea maripa draagt en de Nederlandse naam Maripa.
Paulus op kalapa

In ‘De West: Nieuwsblad van en voor Suriname’ van juni 1918, vinden we een advertentie. We zoeken door op cabbes c.q. kabbes, dat een synoniem voor palmkool is (hiervoor al genoemd). We lezen “Het bovenste jonge deel [Oreodoxa regia, koningspalm] van wordt in azijn ingemaakt.” We stuiten ook op de historische uitdrukking “paulus op kalapa” dat ook palmiet wordt genoemd. Kalapa is de kokospalm (klapperboom) en paulus is de zachte kern in het bovenste deel van de boom. Of deze paulus in enig verband staat met de apostel Paulus in Bijbelse tekst, hebben we niet kunnen achterhalen.
Palmkool, als groente van een palmboom, is de enige palmkool die tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw wordt genoemd. We merken op dat zowel Zuid-Amerikaanse als Aziatische palmen zowel in Suriname als in (toen) Nederlands Indië werden genoemd. In ‘Ons missievriendje; geïllustreerd missietijdschrift voor de R.K. jeugd’ van 15 juni 1947 wordt de smaak omschreven als ‘”een heerlijk gerecht met een tikje van de smaak van onze raapkool.”
Ongeschikt voor consumptie
Er zijn een paar incidentele uitzonderingen. In ‘Geïllustreerd Weekblad Floralia’ gedateerd 18 maart 1904 staat een artikel over ‘Savoye- en Boerenkool’ met als laatste zin: “Groote, groene veekool en palmkool, twee broertjes of zusjes van onze boerenkool, zijn voor menschelijk gebruik vrijwel ongeschikt.” Waarvan akte.


In ‘Onze tuinen; geïllustreerd weekblad voor amateur tuiniers’ van 26 februari 1910 wordt palmkool als vijfde type sierkool aangehaald. Uit de wijze waarop dit is geschreven maken we op dat de auteur misschien Vilmorin’s Les Plantes Potagères erbij heeft genomen: het wordt in Frankrijk vrijwel uitsluitend als sierplant beschouwd. En vrijwel letterlijk is overgenomen dat vorm en kleur op de savooiekool lijkt. En zelfs in Herwig’s practische tuin-encyclopaedie (1949) is palmkool een sierkool.
Andere tijden
Nederland raakt de koloniën Suriname en Nederlands Indië kwijt en daarmee verdwijnt ook de palmkool langzaam uit de media. In Veenman’s agrarische Winkler Prins van 1957 is de enige palmkool die wordt genoemd, die van de palmboom. De eerste tekenen van de reïncarnatie van de palmkool in de gedaante van een Brassica oleracea, vinden we in het Algemeen Handelsblad van 11 november 1967, waarin de menukaart van Rôtisserie Ile de France in Amstelveen wordt aangehaald. (Hoewel niet uitgesloten is dat dit toch de palm-palmkool is, want het Handboek voor Hotel-Café Restaurant van 1954, spreekt van coeur de palmiers dat als palmkool wordt vertaald.)
En wat at Nebukadnezar?

In ‘Sla de wolven, herder’ (1946) van Theun de Vries komt ook palmkool voor. Die roman speelt zich in 2.500 v.Chr af in Mesopotamië. Babylon ligt in Mesopotamië en Nebukadnezar (moderne spelling) leefde van 605–562 v.Chr. Er staan en stonden altijd veel palmen in het land van de twee rivieren – de Eufraat en de Tigris. De vraag is natuurlijk: waarop baseren deze schrijvers zich? Ze zijn uit de tijd dat palmkool nog van een palmboom was. Voor zover wij konden nagaan is de geschiedenis van cavolo nero vaag, waarmee niet is uitgesloten dat de Romeinen een voorouder van cavolo nero kenden die uit Mesopotamië kwam – het gebied waar ooit de mens met landbouw is begonnen.
In het Algemeen Dagblad van 26 maart 1959 staat een aflevering uit De Jood van Rome. Dat is een tot feuilleton bewerkte vertaalde roman uit 1932 van de Duitse schrijver Lion Feuchtwanger. Het gaat over het leven van Flavius Josephus in het Romeinse Rijk. De laatste zin van deze aflevering luidt: “Eet geen palmkool, omdat u dat immers steeds op uw borst drukte. (Wordt vervolgd)” Dat is het. Zou Feuchtwanger cavolo nero hebben bedoeld?
Conclusie
De conclusie is dat het woord palmkool al honderden jaren in de Nederlandse taal voorkomt, als smakelijke top van een palmboom. De huidige betekenis van palmkool is dat van een bladkool die gelijkenis vertoont met een palmboom, dat we uit het Duits hebben overgenomen. Je kan misschien zeggen dat palmkool tot een germanisme is geworden.
